Vrouw hoeft geen gebruiksvergoeding te betalen voor echtelijke woning
ECLI:NL:GHDHA:2026:2184, Gerechtshof Den Haag, 13-05-2026, 200.362.696/01 en 200.362.696/02
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Verdeling huwelijksgemeenschap. Wie mag als eerst proberen de echtelijke woning over te nemen? De man heeft een lager inkomen dan de vrouw, maar is wel al twintig jaar in dienst bij dezelfde werkgever. De vrouw heeft een tijdelijke arbeidsovereenkomst.
Kern van de zaak
Na echtscheiding verblijft de vrouw in de voormalige echtelijke woning terwijl deze nog niet is verdeeld. De man verzoekt een gebruiksvergoeding wegens zijn uitsluiting van het gebruik. Partijen procederen tevens over de zorgregeling, hypotheeklasten en een dwangsom.
Beslissing van de rechter
Het hof vernietigt de beslissing van de rechtbank en oordeelt dat de vrouw voorlopig geen gebruiksvergoeding verschuldigd is, omdat de periode van exclusief gebruik naar verwachting relatief kort zal zijn. Ten aanzien van de regresvordering hypotheekrente en -aflossingen honoreert het hof het verzoek van de vrouw nu de man daarmee heeft ingestemd en zijn eigen grieven heeft ingetrokken.
Impactscore
LaagHet betreft een toepassing van bestaand recht in een individuele echtscheidingsprocedure zonder nieuwe rechtsvragen; de uitkomst is feitelijk en casuïstisch van aard en heeft beperkte precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Gebruiksvergoeding ex artikel 3:169 BW is pas verschuldigd na inschrijving echtscheiding; daarvóór geldt de wederzijdse onderhoudsverplichting van artikel 1:81 BW.
- 2Redelijkheid en billijkheid (artikel 3:166 lid 3 BW) kunnen meebrengen dat geen gebruiksvergoeding wordt opgelegd bij een naar verwachting korte gebruiksperiode.
- 3Indien de woning niet wordt verkocht en de vrouw langdurig blijft wonen, kan een gebruiksvergoeding alsnog redelijk en billijk worden geacht.
- 4De man heeft ingestemd met het verzoek van de vrouw inzake de regresvordering hypotheekrente en aflossingen en trekt zijn eigen grieven op dat punt in.
- 5Toekomstige betalingen door de vrouw na de mondelinge behandeling kunnen nog niet worden meegenomen in de thans vastgestelde regresvordering.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt dat de korte verwachte duur van exclusief gebruik een zelfstandige grond kan vormen om een gebruiksvergoeding achterwege te laten, waarbij de rechter een voorlopig karakter toekent aan zijn oordeel en een voorbehoud maakt voor langdurig gebruik.
Praktische impact
De vrouw hoeft voorlopig geen gebruiksvergoeding te betalen en krijgt haar regresvordering voor de door haar betaalde hypotheeklasten (aandeel man) toegewezen, wat haar financiële positie in de overgangsfase verbetert.
Onderwerp-impact
Voor scheidende partners met een gemeenschappelijke woning biedt deze uitspraak een praktisch richtsnoer: pas bij een langere voortgezette bewoning na echtscheiding ligt een gebruiksvergoeding in de rede.
Samenvatting
In deze echtscheidingsprocedure bij het Gerechtshof Den Haag staat centraal of de vrouw, die na de inschrijving van de echtscheiding als enige in de voormalige echtelijke woning woont, een gebruiksvergoeding verschuldigd is aan de man. De woning is nog gemeenschappelijk eigendom en niet verdeeld. Op grond van artikel 3:169 BW zijn beide eigenaren gerechtigd tot gebruik van een gemeenschappelijk goed; wanneer een eigenaar de ander uitsluit, kan ter compensatie een gebruiksvergoeding worden opgelegd. De redelijkheid en billijkheid van artikel 3:166 lid 3 BW spelen daarbij een rol. Het hof stelt vast dat een gebruiksvergoeding pas kan worden opgelegd vanaf de datum van inschrijving van de echtscheiding, omdat het verschaffen van gebruiksgenot daarvóór valt onder de wederzijdse onderhoudsplicht van artikel 1:81 BW. Voor de periode ná die inschrijving oordeelt het hof dat de vrouw voorlopig geen gebruiksvergoeding hoeft te betalen, omdat de periode van exclusief gebruik naar verwachting relatief kort zal zijn. Het hof vernietigt de andersluidende beschikking van de rechtbank op dit punt. Het voegt wel een voorbehoud toe: mocht de woning niet worden overgenomen door een van de partijen en besluiten zij gezamenlijk de woning niet te verkopen, dan kan bij voortgezet langdurig gebruik een gebruiksvergoeding alsnog aangewezen zijn. Ten aanzien van de regresvordering voor de door de vrouw betaalde hypotheekrente en aflossingen (het aandeel van de man) wijst het hof het verzoek van de vrouw toe, nu de man daarmee heeft ingestemd en zijn eigen grieven op dit onderdeel heeft ingetrokken. Toekomstige betalingen na de mondelinge behandeling vallen buiten de thans vastgestelde regresvordering. Over de zorgregeling en de hoogte van de dwangsom (€ 25 per dag, maximaal € 500) heeft de man eveneens grieven ingediend; de uitspraak bevat op die punten slechts fragmentarische informatie.