Gemeente wint verhaalsbijdrage bijstand: geen draagkracht bijstandsmoeder
ECLI:NL:GHDHA:2026:2183, Gerechtshof Den Haag, 27-05-2026, 200.362.032/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Art. 61 en 62, aanhef, onder a, Participatiewet. Bijstandsverhaal. Geen fictieve verdiencapaciteit toegerekend aan bijstandsgerechtigde ouder. Geen draagkracht voor ouder die bijstand ontvangt. Overeenstemming over de te verhalen bijdrage.
Kern van de zaak
Een gemeente (college) vordert via bijstandsverhaal een hogere bijdrage van een vader wiens ex-partner bijstand ontvangt. De rechtbank had ten onrechte fictieve verdiencapaciteit aan de moeder toegerekend, waardoor de verhaalsbijdrage te laag werd vastgesteld op €186 per maand in plaats van €216,50.
Beslissing van de rechter
Het hof stelt de verhaalsbijdrage hoger vast dan de rechtbank deed, conform het standpunt van het college (€216,50 per maand). De doorslaggevende reden is dat bij een bijstandsontvangende ouder met hoofdverblijf van de kinderen geen draagkracht mag worden aangenomen – ook niet op basis van fictieve verdiencapaciteit – nu dit de verhaalsmogelijkheid van de gemeente ten onrechte zou beperken.
Impactscore
MiddelDe uitspraak bevestigt bestaand beleid uit het Tremarapport en heeft geen nieuwe rechtsnorm gesteld, maar is wel relevant voor de praktijk van bijstandsverhaal door gemeenten en alimentatieberekeningen bij bijstandsontvangende ouders.
Belangrijkste punten
- 1In bijstandsverhaalsprocedures wordt uitgegaan van het feitelijk genoten inkomen van de bijstandsgerechtigde, niet van fictieve verdiencapaciteit.
- 2Op grond van het Tremarapport (Rapport Alimentatienormen) wordt geen draagkracht aangenomen bij een ouder met hoofdverblijf van het kind die bijstand ontvangt, ook niet bij ontvangst van kindgebonden budget.
- 3Het aannemen van fictieve draagkracht bij de moeder leidt tot een lagere bijdrage van de vader en beperkt daarmee onrechtmatig de verhaalsmogelijkheid van de gemeente.
- 4De rechtmatigheid van de bijstandsuitkering zelf ligt niet ter beoordeling voor in een verhaalsprocedure.
- 5De verhaalsbijdrage is beperkt tot de periode 1 maart 2024 tot 30 juni 2025, nu de moeder daarna geen bijstand meer ontvangt.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat fictieve verdiencapaciteit bij bijstandsontvangende ouders niet mag worden meegewogen in verhaalsprocedures op grond van artikel 62 Participatiewet, in lijn met het Tremarapport. Dit beschermt de verhaalspositie van gemeenten.
Praktische impact
Vaders (en andere onderhoudsplichtige ouders) kunnen in bijstandsverhaalsprocedures niet profiteren van een lagere bijdrage doordat de rechter fictieve inkomsten toerekent aan de bijstandsontvangende ouder; gemeenten kunnen daarmee het volledige verhaalbare bedrag terugvorderen.
Onderwerp-impact
Voor gemeenten die bijstandskosten verhalen via de Participatiewet biedt deze uitspraak steun voor een strikte toepassing van de draagkrachtnormen uit het Tremarapport, wat de uitvoering van bijstandsverhaal stroomlijnt.
Samenvatting
In deze zaak lag de hoogte van de verhaalsbijdrage op grond van de Participatiewet ter beoordeling voor over de periode 1 maart 2024 tot 30 juni 2025. Een gemeente had bijstand verstrekt aan een moeder bij wie de kinderen hun hoofdverblijf hadden, en vorderde verhaal op de vader als onderhoudsplichtige ouder. De rechtbank had de bijdrage vastgesteld op €186 per maand, mede door aan de moeder een fictieve verdiencapaciteit toe te rekenen en op basis daarvan een draagkrachtvergelijking te maken. Dit leidde tot een hogere zorgkorting en daarmee een lagere verhaalsbijdrage voor de gemeente. Het hof oordeelt dat dit onjuist is. In een bijstandsverhaalsprocedure dient te worden uitgegaan van het feitelijk genoten inkomen van de bijstandsgerechtigde moeder – dus de daadwerkelijke bijstandsuitkering – en niet van een fictieve verdiencapaciteit. De rechtmatigheid van de bijstandsuitkering zelf valt buiten de reikwijdte van deze procedure. Het hof benadrukt verder dat de moeder in het kader van haar bijstandsuitkering een sollicitatieverplichting heeft en dat toezicht is gehouden op haar inspanningen om werk te vinden. Doorslaggevend is de aanbeveling in het Tremarapport (Rapport Alimentatienormen) dat bij een bijstandsontvangende ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf heeft, geen draagkracht wordt aangenomen – ook niet wanneer die ouder een kindgebonden budget ontvangt. Het aannemen van draagkracht aan de zijde van de moeder zou immers leiden tot een lager aandeel van de vader in de kosten van de kinderen, waardoor de gemeente als verhaalende partij minder kan terugvorderen. Dit acht het hof in strijd met de strekking van het bijstandsverhaalrecht. De verhaalsbijdrage wordt daarom vastgesteld op €216,50 per maand, conform het standpunt van het college.