Raad van State stelt dwangsom toeslagenouder op nul
ECLI:NL:RVS:2026:4302, Raad van State, 22-07-2026, 202504468/1/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)[appellant] heeft de Dienst Toeslagen verzocht om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade (aanvullende compensatie), zoals bedoeld in artikel 2.1, derde lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). [appellant] is een gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag. In de Wet hersteloperatie toeslagen zijn verschillende (financiële) regelingen neergelegd voor gedupeerde ouders. [appellant] heeft de Dienst Toeslagen verzocht om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade, zoals bedoeld in artikel 2.1, derde lid, van de Wht. Op grond van artikel 6.2, eerste lid, van de Wht, moet door de Dienst Toeslagen op de aanvraag aanvullende compensatie worden beslist binnen een termijn van zes maanden na ontvangst van de aanvraag. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd. [appellant] heeft beroep ingesteld gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, omdat een besluit op haar aanvraag aanvullende compensatie voor de werkelijke schade uitbleef.
Kern van de zaak
Een gedupeerde ouder in de kinderopvangtoeslagenaffaire diende een aanvraag in voor aanvullende compensatie voor werkelijke schade bij de Dienst Toeslagen. Omdat de Dienst Toeslagen niet tijdig besliste, stelde de rechtbank Den Haag een dwangsom vast van €250 per dag met een maximum van €37.500. De Dienst Toeslagen ging in hoger beroep tegen deze dwangsomverplichting.
Beslissing van de rechter
De Raad van State verklaart het hoger beroep van de Dienst Toeslagen gegrond en vernietigt het dwangsomonderdeel van de uitspraak van de rechtbank Den Haag, waarbij de dwangsom wordt gesteld op €0,00 per dag. De doorslaggevende reden is vermoedelijk het bijzondere karakter van de hersteloperatie toeslagen, waarbij de Afdeling eerder (uitspraak 23 augustus 2023) heeft geoordeeld dat bij niet-tijdig beslissen in de toeslagencontext afwijkende dwangsomregels gelden.
Impactscore
MiddelDe uitspraak heeft betekenis voor een grote groep gedupeerde ouders in lopende toeslagenzaken en bevestigt een afwijkend dwangsomregime, maar vormt geen nieuw recht nu het aansluit bij de al gevormde lijn uit 2023; de maatschappelijke impact is echter aanzienlijk door het grote aantal betrokkenen.
Belangrijkste punten
- 1Dienst Toeslagen moet op grond van artikel 6.2 Wht binnen zes maanden (eenmalig verlengbaar met zes maanden) beslissen op een aanvraag aanvullende compensatie werkelijke schade.
- 2Bij gegrond beroep wegens niet tijdig beslissen geldt artikel 8:55d Awb: in beginsel twee weken nadere beslistermijn plus dwangsom per dag bij niet-naleving.
- 3De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 23 augustus 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3209) voor een bijzonder dwangsomregime in toeslagenzaken.
- 4De rechtbank Den Haag had een dwangsom van €250 per dag (max. €37.500) opgelegd; de Raad van State corrigeert dit naar €0,00 per dag.
- 5De uitspraak bevestigt dat bij de hersteloperatie toeslagen afwijkende, lagere of nihil dwangsommen kunnen worden opgelegd als bijzonder geval in de zin van artikel 8:55d, derde lid, Awb.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt en past de lijn toe uit het arrest van 23 augustus 2023 dat de standaard dwangsomregels uit artikel 8:55d Awb in toeslagenherstelzaken kunnen worden gematigd tot nihil, hetgeen een structurele uitzondering vormt op het algemene bestuursrechtelijke dwangsombeleid. Dit heeft directe betekenis voor de talrijke lopende niet-tijdig-beslissen-zaken in de toeslagenaffaire.
Praktische impact
Voor gedupeerde ouders die beroep instellen wegens niet tijdig beslissen op hun aanvraag aanvullende compensatie, betekent dit dat de financiële druk via dwangsommen op de Dienst Toeslagen effectief wordt weggenomen, waardoor de prikkel om snel te beslissen wordt verminderd en ouders minder snel financieel gecompenseerd worden voor de vertraging.
Onderwerp-impact
Binnen de toeslagenaffaire verzwakt deze uitspraak het handhavingsinstrumentarium van gedupeerde ouders jegens de Dienst Toeslagen bij trage besluitvorming over werkelijke schadevergoeding, terwijl de hersteloperatie reeds kampt met grote vertragingen.
Samenvatting
In deze zaak staat een gedupeerde ouder in de kinderopvangtoeslagenaffaire centraal die bij de Dienst Toeslagen een aanvraag had ingediend voor aanvullende compensatie voor werkelijke schade op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Op grond van artikel 6.2 Wht had de Dienst Toeslagen binnen zes maanden — eenmalig verlengbaar met zes maanden — op deze aanvraag moeten beslissen. Omdat een besluit uitbleef, stelde de ouder beroep in wegens niet tijdig beslissen. De rechtbank Den Haag verklaarde dit beroep gegrond en legde op grond van artikel 8:55d Awb een dwangsom op van €250 per dag dat de Dienst Toeslagen na 6 augustus 2025 in gebreke zou blijven, met een maximum van €37.500. De Dienst Toeslagen tekende hoger beroep aan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, specifiek gericht tegen het dwangsomonderdeel. De juridische vraag was of de standaard dwangsomregeling van artikel 8:55d Awb onverkort van toepassing is in het kader van de toeslagenhersteloperatie, of dat dit een 'bijzonder geval' oplevert dat een afwijkende voorziening rechtvaardigt. De Afdeling verklaart het hoger beroep van de Dienst Toeslagen gegrond en vernietigt de dwangsombepaling van de rechtbank. Onder verwijzing naar haar eerdere uitspraak van 23 augustus 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3209) stelt de Afdeling de dwangsom vast op €0,00 per dag. De uitspraak bevestigt daarmee dat de hersteloperatie toeslagen een bijzondere context vormt waarin de gebruikelijke financiële prikkel via dwangsommen niet of anders wordt ingezet. Voor de vele gedupeerde ouders die wachten op een besluit over aanvullende compensatie heeft dit tot gevolg dat de rechtsbescherming via de dwangsomroute in de praktijk wordt uitgehold.