Raad van State verlaagt dwangsom Dienst Toeslagen bij trage besluitvorming
ECLI:NL:RVS:2026:4299, Raad van State, 22-07-2026, 202504596/1/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)[wederpartij] heeft de Dienst Toeslagen verzocht om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade (aanvullende compensatie), zoals bedoeld in artikel 2.1, derde lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). wederpartij] is een gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag. In de Wet hersteloperatie toeslagen zijn verschillende (financiële) regelingen neergelegd voor gedupeerde ouders. [wederpartij] heeft de Dienst Toeslagen verzocht om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade, zoals bedoeld in artikel 2.1, derde lid, van de Wht. Op grond van artikel 6.2, eerste lid, van de Wht, moet door de Dienst Toeslagen op de aanvraag aanvullende compensatie worden beslist binnen een termijn van zes maanden na ontvangst van de aanvraag. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd. [wederpartij] heeft beroep ingesteld gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, omdat een besluit op haar aanvraag aanvullende compensatie voor de werkelijke schade uitbleef.
Kern van de zaak
Een gedupeerde ouder in de kinderopvangtoeslagaffaire vroeg aanvullende compensatie voor werkelijke schade bij de Dienst Toeslagen. Omdat de Dienst niet tijdig besliste, stelde zij beroep in bij de rechtbank wegens niet-tijdig beslissen. De rechtbank legde een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000.
Beslissing van de rechter
De Raad van State verklaart het hoger beroep van de Dienst Toeslagen gegrond en vernietigt de door de rechtbank Overijssel opgelegde dwangsomregeling. De doorslaggevende reden is dat de hoogte of opzet van de dwangsom niet aansluit bij het landelijke dwangsombeleid dat de Afdeling hanteert voor toeslagenzaken.
Impactscore
MiddelDe uitspraak heeft beperkte rechtsontwikkelende waarde maar is relevant voor de grote groep gedupeerde ouders in de toeslagenaffaire; zij bevestigt eerder vastgesteld beleid en corrigeert een lagere rechter op een procedureel punt.
Belangrijkste punten
- 1Gedupeerde ouder kinderopvangtoeslag verzocht aanvullende compensatie werkelijke schade op grond van artikel 2.1 lid 3 Wht
- 2Dienst Toeslagen besliste niet binnen de wettelijke termijn van zes maanden (artikel 6.2 lid 1 Wht)
- 3Rechtbank Overijssel legde dwangsom op van €100/dag met maximum €15.000
- 4Raad van State vernietigt dwangsomregeling wegens afwijking van het landelijke dwangsombeleid voor toeslagenzaken
- 5De Afdeling heeft eerder in ECLI:NL:RVS:2023:3209 specifiek beleid vastgesteld voor dwangsommen in hersteloperatiezaken
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat de Afdeling een eigen, afwijkend dwangsomregime hanteert voor zaken onder de Wet hersteloperatie toeslagen, dat voorrang heeft boven de algemene dwangsomregels van de rechtbanken. Lagere rechters dienen dit specifieke beleid toe te passen bij niet-tijdig beslissen door de Dienst Toeslagen.
Praktische impact
Gedupeerde ouders die beroep instellen tegen het uitblijven van een besluit op hun aanvraag aanvullende compensatie, kunnen rekenen op een dwangsom conform het specifieke toeslagenbeleid van de Afdeling, dat mogelijk minder hoog uitvalt dan een door de rechtbank opgelegde standaarddwangsom.
Onderwerp-impact
Voor de hersteloperatie kinderopvangtoeslag betekent dit dat de Dienst Toeslagen gebonden is aan een uniforme dwangsomstructuur bij niet-tijdig beslissen, wat de handhaving van beslistermijnen in deze grootschalige compensatieoperatie nader kadert.
Samenvatting
Deze zaak betreft een gedupeerde ouder in de kinderopvangtoeslagaffaire die bij de Dienst Toeslagen aanvullende compensatie heeft aangevraagd voor haar werkelijke schade, zoals voorzien in artikel 2.1, derde lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De Dienst Toeslagen is op grond van artikel 6.2, eerste lid, Wht verplicht binnen zes maanden op een dergelijke aanvraag te beslissen, met een eenmalige verlengingsmogelijkheid van nogmaals zes maanden. Omdat binnen die termijn geen besluit werd genomen, stelde de ouder beroep in bij de rechtbank wegens niet-tijdig beslissen. De rechtbank Overijssel verklaarde dit beroep gegrond en legde een dwangsom op van €100 per dag dat de Dienst Toeslagen in gebreke bleef, met een maximum van €15.000. De Dienst Toeslagen ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, met als bezwaar de hoogte dan wel de opzet van de opgelegde dwangsom. De centrale rechtsvraag was of de rechtbank de juiste dwangsomregeling had toegepast. De Afdeling oordeelt dat bij niet-tijdig beslissen in het kader van de hersteloperatie toeslagen een specifiek dwangsombeleid geldt, zoals eerder vastgesteld in haar uitspraak van 23 augustus 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3209). De door de rechtbank opgelegde dwangsomregeling wijkt hiervan af. De Afdeling verklaart het hoger beroep van de Dienst Toeslagen dan ook gegrond en vernietigt de dwangsomregeling van de rechtbank Overijssel. De uitspraak benadrukt dat rechters bij toeslagenzaken niet zonder meer het algemene landelijke dwangsombeleid mogen toepassen, maar het door de Afdeling specifiek voor deze hersteloperatie ontwikkelde beleid moeten volgen. Dit brengt uniformiteit in de behandeling van de grote hoeveelheid beroepszaken die voortvloeien uit de traagheid van de besluitvorming in de toeslagenaffaire.