Raad van State corrigeert termijn besluit kinderopvangtoeslag compensatie
ECLI:NL:RVS:2026:4301, Raad van State, 22-07-2026, 202504469/1/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)[wederpartij] heeft de Dienst Toeslagen verzocht om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade (aanvullende compensatie), zoals bedoeld in artikel 2.1, derde lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). [wederpartij] is een gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag. In de Wet hersteloperatie toeslagen zijn verschillende (financiële) regelingen neergelegd voor gedupeerde ouders. [wederpartij] heeft de Dienst Toeslagen verzocht om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade, zoals bedoeld in artikel 2.1, derde lid, van de Wht. Op grond van artikel 6.2, eerste lid, van de Wht, moet door de Dienst Toeslagen op de aanvraag aanvullende compensatie worden beslist binnen een termijn van zes maanden na ontvangst van de aanvraag. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd. [wederpartij] heeft beroep ingesteld gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, omdat een besluit op zijn aanvraag aanvullende compensatie voor de werkelijke schade uitbleef.
Kern van de zaak
Een gedupeerde ouder in de kinderopvangtoeslagaffaire vroeg aanvullende compensatie voor werkelijke schade bij de Dienst Toeslagen. Omdat de Dienst Toeslagen niet tijdig besliste binnen de wettelijke termijn van zes maanden, stelde de ouder beroep in wegens het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank Midden-Nederland legde vervolgens een beslistermijn en dwangsom op.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep van de Dienst Toeslagen is gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland is gedeeltelijk vernietigd. De door de rechtbank opgelegde beslistermijn (21 maart 2026) en dwangsom (€ 50 per dag, max. € 15.000) worden vernietigd, omdat de Raad van State een kortere termijn van twee weken na verzending van de uitspraak passender acht.
Impactscore
MiddelDe uitspraak heeft beperkte precedentwerking omdat zij vaste rechtspraak van de Afdeling bevestigt, maar is relevant voor de grote groep gedupeerde ouders die wacht op compensatiebeslissingen in het kader van de hersteloperatie toeslagen.
Belangrijkste punten
- 1De Dienst Toeslagen had niet tijdig beslist op een aanvraag aanvullende compensatie werkelijke schade op grond van artikel 2.1 lid 3 Wht, waarvoor een beslistermijn van zes maanden geldt (art. 6.2 lid 1 Wht).
- 2Op grond van artikel 8:55d lid 1 Awb bepaalt de bestuursrechter bij gegrond niet-tijdig-beslissenberoep in beginsel een hersteltermijn van twee weken.
- 3De rechtbank week af van deze standaardtermijn door een termijn tot 21 maart 2026 te stellen; de Raad van State oordeelde dat dit niet gerechtvaardigd was.
- 4De Raad van State past vaste rechtspraak toe dat de nadere beslistermijn niet onnodig lang maar ook niet onrealistisch kort mag zijn (ECLI:NL:RVS:2021:2346).
- 5De Raad van State draagt de Dienst Toeslagen op binnen twee weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit te nemen.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van de standaardtermijn van twee weken ex artikel 8:55d lid 1 Awb bij niet-tijdig-beslissen, en stelt grenzen aan de discretionaire bevoegdheid van lagere rechters om langere beslistermijnen te bepalen in het kader van de hersteloperatie toeslagen.
Praktische impact
De Dienst Toeslagen wordt verplicht om binnen twee weken na verzending van de uitspraak een besluit te nemen op de aanvraag aanvullende compensatie van de gedupeerde ouder, waarmee de vertragingsvrijheid wordt ingeperkt.
Onderwerp-impact
Voor gedupeerde ouders in de toeslagenaffaire betekent dit dat de rechter niet zomaar lange uitstelperiodes toestaat voor de Dienst Toeslagen, wat de voortgang van de hersteloperatie bevordert.
Samenvatting
Een gedupeerde ouder in de kinderopvangtoeslagaffaire had bij de Dienst Toeslagen aanvullende compensatie voor werkelijke schade aangevraagd op grond van artikel 2.1 lid 3 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De Dienst Toeslagen besliste niet binnen de wettelijke termijn van zes maanden (artikel 6.2 lid 1 Wht), waarna de ouder beroep instelde bij de rechtbank wegens het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank Midden-Nederland verklaarde dit beroep gegrond en bepaalde dat de Dienst Toeslagen uiterlijk 21 maart 2026 een besluit moest nemen, met een dwangsom van € 50 per dag bij overschrijding (max. € 15.000). De Dienst Toeslagen ging in hoger beroep bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak verklaarde het hoger beroep gegrond en vernietigde de uitspraak van de rechtbank op het punt van de beslistermijn en de dwangsom. De Raad van State stelde vast dat artikel 8:55d lid 1 Awb bepaalt dat een bestuursorgaan in beginsel binnen twee weken na verzending van de rechterlijke uitspraak alsnog een besluit moet bekendmaken. Afwijking hiervan is alleen mogelijk in bijzondere gevallen, waarbij de termijn niet onnodig lang maar ook niet onrealistisch kort mag zijn. De door de rechtbank gestelde termijn tot 21 maart 2026 werd als te lang beoordeeld. De Raad van State droeg de Dienst Toeslagen op om binnen twee weken na verzending van de uitspraak een besluit te nemen. De uitspraak bevestigt vaste jurisprudentie van de Afdeling over de toepassing van artikel 8:55d Awb en brengt in herinnering dat lagere rechters slechts in bijzondere, gemotiveerde gevallen mogen afwijken van de standaard hersteltermijn van twee weken. Voor de bredere groep gedupeerde ouders in de hersteloperatie is dit relevant: de rechter biedt geen vrijbrief voor Dienst Toeslagen om beslissingen langdurig uit te stellen.