Managementvergoeding niet verlaagbaar vanwege stamrechtuitkeringen
ECLI:NL:GHDHA:2026:134, Gerechtshof Den Haag, 21-01-2026, BK-25/500 en BK-25/501
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Navorderingsaanslagen IB/PVV 2018 en 2019. Art. 10 en 13a Wet LB 1964; art. 3.146 Wet IB 2001. Stamrechtuitkeringen en managementvergoedingen van holdingvennootschap. Stamrechtuitkeringen niet in geschil. Managementvergoedingen terecht en tot de juiste bedragen als loon in aanmerking genomen. Managementvergoedingen door holdingvennootschap als loon in aanmerking genomen en loonheffingen ingehouden en afgedragen. Geen fout in aangiften IB/PVV. Achteraf wijzigen hoogte managementvergoedingen leidt tot negatief loon in jaar van wijziging en doet niet af aan genietingsmoment in onderhavige jaren.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige ontving managementvergoedingen van zijn Holding BV en stamrechtuitkeringen van een Pensioen BV. Hij wilde de managementvergoedingen met terugwerkende kracht verlagen omdat de stamrechtuitkeringen volgens hem leidden tot belasting over fictieve inkomsten. De Inspecteur legde navorderingsaanslagen op voor 2018 en 2019 en betwistte de verlaging.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank is bevestigd. Doorslaggevend is dat loon op grond van artikel 3.146 Wet IB 2001 jo. artikel 13a Wet LB 1964 wordt geacht genoten te zijn op het tijdstip van ontvangst, en dat de managementvergoedingen terecht als loon uit dienstbetrekking zijn aangemerkt; achteraf verlagen is fiscaal niet mogelijk.
Impactscore
LaagDe uitspraak past bestaande, vaste fiscale regels toe op een individuele situatie zonder nieuwe rechtsvragen te beantwoorden; de reikwijdte is beperkt tot vergelijkbare DGA-holdingstructuren met stamrechtproblematiek.
Belangrijkste punten
- 1De stamrechtuitkeringen zijn terecht en naar juiste bedragen in de navorderingsaanslagen 2018 en 2019 betrokken – dit is niet in geschil.
- 2De managementvergoedingen zijn ontvangen als loon uit dienstbetrekking (art. 3.81 Wet IB 2001 jo. art. 10 Wet LB 1964) en kunnen niet achteraf worden verlaagd om belastingheffing te corrigeren.
- 3Het genietingstijdstip van loon is wettelijk gefixeerd (art. 3.146 Wet IB 2001 jo. art. 13a Wet LB 1964); herziening aan het einde van het jaar op basis van subjectieve factoren is fiscaalrechtelijk niet toegestaan.
- 4Belanghebbendes argument dat sprake is van een 'fout' die herstelbaar is via aanpassing van jaarrekeningen en verlaagde managementvergoedingen, wordt verworpen.
- 5De omstandigheid dat belastingheffing over stamrechtuitkeringen betaling ervan bemoeilijkt, is geen fiscaalrechtelijke grond om loon te herkwalificeren of te verlagen.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat het wettelijk gefixeerde genietingstijdstip van loon in de weg staat aan het achteraf bijstellen van managementvergoedingen tussen een DGA en zijn holding, ook als andere inkomensbestanddelen onverwacht in de heffing worden betrokken. Dit sluit aan bij vaste fiscale leer over het loonbegrip en tijdstip van genieten.
Praktische impact
DGA's en hun holdings kunnen niet achteraf de hoogte van managementvergoedingen aanpassen om ongewenste belastinggevolgen van andere inkomsten te neutraliseren; fiscale planning dient vooraf en binnen wettelijke kaders te geschieden.
Onderwerp-impact
Voor holdingstructuren met stamrechtverplichtingen is bevestigd dat de belastingheffing over stamrechtuitkeringen en managementvergoedingen los van elkaar wordt beoordeeld en niet via onderlinge verrekening kan worden bijgestuurd.
Samenvatting
In deze belastingzaak voor het Gerechtshof Den Haag stond centraal of een directeur-grootaandeelhouder (DGA) de in 2018 en 2019 ontvangen managementvergoedingen van zijn Holding BV achteraf kon verlagen, om zo de belastinggevolgen van stamrechtuitkeringen van zijn Pensioen BV te compenseren. De Inspecteur had navorderingsaanslagen opgelegd voor beide jaren, waarbij zowel de managementvergoedingen als de stamrechtuitkeringen in de belastingheffing waren betrokken. Belanghebbende betoogde dat hij jaarlijks aan het einde van het kalenderjaar de hoogte van de managementvergoeding vaststelt op basis van factoren als omzet, winst, werkinzet en pensioen. Nu de stamrechtuitkeringen onverwacht in de heffing werden betrokken, stelde hij dat sprake was van een herstelbarre fout, te corrigeren via verlaging van de managementvergoedingen en aanpassing van de jaarrekeningen. Zonder die correctie zou er belasting worden geheven over 'fictieve inkomsten' waarvoor geen financiële dekking bestond. Het hof verwierp dit standpunt. Niet in geschil was dat de stamrechtuitkeringen terecht en naar de juiste bedragen waren belast, en evenmin dat de managementvergoedingen terecht als loon uit dienstbetrekking in de zin van artikel 3.81 Wet IB 2001 juncto artikel 10 Wet LB 1964 waren aangemerkt. Beslissend is het wettelijk gefixeerde genietingstijdstip van loon op grond van artikel 3.146 Wet IB 2001 juncto artikel 13a Wet LB 1964: loon wordt geacht genoten te zijn op het moment van ontvangst. Dat maakt achteraf bijstellen op basis van andere inkomsten fiscaalrechtelijk onmogelijk. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Beide partijen kunnen binnen zes weken beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad.