JurispRadar
ECLI:NL:GHARL:2026:4325Middel52/100

Machtiging uithuisplaatsing vernietigd wegens geen beschikbare plaatsing

ECLI:NL:GHARL:2026:4325, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 02-07-2026, 200.367.938

InstantieUitspraak: 2 juli 2026Publicatie: 2 juli 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:200.367.938
Bestuursrecht
Personen- en familierecht
Mensenrechten
Overheid
Zorg
Artikel 8 Evrm
Uithuisplaatsing
Gezinsvoogdij
Gecertificeerde Instelling
Jeugdzorg

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Artikel 1:265c lid 3 BW :een machtiging tot uithuisplaatsing vervalt indien deze niet binnen drie maanden ten uitvoer is gelegd. De ouders hebben niettemin belang bij een beoordeling van de rechtmatigheid van de machtiging. (HR 18 maart 2022 ECLI:NL:HR2022:395) en artikel 8 EVRM. De aan de GI verleende machtiging tot uithuisplaatsing wordt vernietigd en het hof wijst het verzoek tot uithuisplaatsing alsnog af.

Kern van de zaak

Ouders gingen in hoger beroep tegen een door de kinderrechter verleende machtiging tot uithuisplaatsing van hun kinderen in een gezinsgerichte voorziening. De gecertificeerde instelling (GI) had de machtiging aangevraagd zonder te controleren of er daadwerkelijk een geschikte locatie beschikbaar was. Omdat er geen plek bleek te zijn, werd de machtiging nooit ten uitvoer gelegd, maar de dreiging ervan hing bijna drie maanden boven het gezin.

Beslissing van de rechter

Het hof oordeelt dat de machtiging tot uithuisplaatsing niet had mogen worden verleend. De doorslaggevende reden is dat de GI het verzoek indiende zonder zich ervan te vergewissen of uitvoering mogelijk was, terwijl nadien bleek dat er geen geschikte locatie beschikbaar was en de GI ook geen verdere inspanningen wilde verrichten om dat te bewerkstelligen.

52van 100

Impactscore

Middel

De uitspraak heeft praktische betekenis voor jeugdzorgprocedures en verduidelijkt de zorgvuldigheidsplicht van GI's bij het aanvragen van machtigingen, maar is een gerechtshofuitspraak zonder fundamentele nieuwe rechtsregel op Hoge Raadniveau.

Belangrijkste punten

  • 1Ouders hebben ook na het van rechtswege vervallen van de machtiging een rechtens relevant belang bij beoordeling in hoger beroep, zonder dat bijkomende omstandigheden vereist zijn.
  • 2Een machtiging uithuisplaatsing vormt een inmenging in het door art. 8 EVRM beschermde gezinsleven, ook als zij niet ten uitvoer wordt gelegd.
  • 3De GI handelde onzorgvuldig door een machtiging aan te vragen zonder vooraf te controleren of plaatsing feitelijk mogelijk was.
  • 4Van de GI mag worden verwacht dat zij pas een machtiging aanvraagt wanneer er daadwerkelijk plaatsen beschikbaar zijn of op korte termijn beschikbaar komen.
  • 5De ouders hebben bijna drie maanden 'voor niets' de dreiging van uithuisplaatsing ondervonden, wat als een schending van hun rechten wordt aangemerkt.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt dat rechters een machtiging uithuisplaatsing niet mogen verlenen indien de verzoekende GI niet heeft geverifieerd dat uitvoering realistisch is, en dat ouders steeds ontvankelijk zijn in hoger beroep ter toetsing van de rechtmatigheid van zo'n machtiging aan art. 8 EVRM. Dit stelt een zorgvuldigheidseis aan de aanvraagprocedure van de GI.

Praktische impact

Gezinnen worden beschermd tegen de belastende dreiging van uithuisplaatsing als gevolg van onvoldoende voorbereide verzoeken van gecertificeerde instellingen. GI's zullen voortaan eerst moeten zorgen voor een concrete beschikbare opvangplek voordat zij een machtiging aanvragen.

Onderwerp-impact

In jeugdzorgprocedures geldt voortaan een expliciete zorgvuldigheidsplicht voor GI's: uithuisplaatsing aanvragen zonder beschikbare locatie is onrechtmatig en kan leiden tot vernietiging van de machtiging in hoger beroep.

Samenvatting

In deze zaak oordeelde het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden dat een door de kinderrechter verleende machtiging tot uithuisplaatsing van kinderen in een gezinsgerichte voorziening ten onrechte was afgegeven. De gecertificeerde instelling (GI) had het verzoek ingediend zonder vooraf te controleren of er daadwerkelijk geschikte plaatsen beschikbaar waren. Na afgifte van de machtiging moest de GI constateren dat uitvoering feitelijk niet mogelijk was bij gebrek aan opvanglocaties, en zij gaf bovendien aan geen verdere inspanningen te willen verrichten om dit te verhelpen. De machtiging is daardoor nooit ten uitvoer gelegd en is van rechtswege vervallen. De ouders kwamen in hoger beroep. Een eerste juridische vraag was of zij nog belang hadden bij een inhoudelijke beoordeling nu de machtiging niet meer gold. Het hof beantwoordde die vraag bevestigend: een machtiging uithuisplaatsing vormt ook zonder daadwerkelijke uitvoering een inmenging in het door artikel 8 EVRM beschermde recht op eerbiediging van het gezinsleven. De dreiging die van zo'n machtiging uitgaat, verstoort het gezinsleven op zichzelf al. Ouders hebben daarom altijd een rechtens relevant belang bij toetsing in hoger beroep, zonder dat bijkomende omstandigheden nodig zijn. Inhoudelijk oordeelde het hof dat de machtiging niet had mogen worden verleend. Van een GI mag worden verwacht dat zij een machtiging uithuisplaatsing pas aanvraagt wanneer er daadwerkelijk plaatsen beschikbaar zijn of op korte termijn zullen worden. Door dit na te laten, hebben de ouders bijna drie maanden 'voor niets' de belastende dreiging van uithuisplaatsing ervaren. Het hof vernietigt de beschikking van de kinderrechter op dit punt. De uitspraak stelt een duidelijke zorgvuldigheidseis aan de aanvraagprocedure van GI's en biedt een stevige bescherming voor gezinnen tegen onvoldoende voorbereide verzoeken.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 17 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak
52van 100
MiddelLees toelichting ↓

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:CBB:2026:323Middel
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht

ECLI:NL:CBB:2026:323, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14-07-2026, 25/232

College van Beroep voor het bedrijfsleven14 jul 2026ZorgHandhaving
38/100Bekijk
ECLI:NL:CBB:2026:324Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:CBB:2026:324, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14-07-2026, 23/1898

College van Beroep voor het bedrijfsleven14 jul 2026OverheidHandhaving
22/100Bekijk
ECLI:NL:RBGEL:2026:5525Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RBGEL:2026:5525, Rechtbank Gelderland, 13-07-2026, AWB-25_4431 e.a.

Rechtbank Gelderland13 jul 2026HandhavingVastgoed
28/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1275Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1275, Hoge Raad, 10-07-2026, 26/01234

Hoge Raad10 jul 2026ArbeidsrelatiesOverheid
28/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied

Onderwerpen