Man mag afscheidsdienst moeder niet bijwonen na verstoorde familierelatie
ECLI:NL:GHAMS:2026:490, Gerechtshof Amsterdam, 24-02-2026, 200.353.724/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Appellant vordert dat zijn zus wordt veroordeeld tot betaling van smartengeld. Hij legt aan die vordering ten grondslag dat zijn zus hem de mogelijkheid heeft ontnomen afscheid te nemen van hun overleden moeder en dat hij daardoor schade heeft geleden. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen. Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis.
Kern van de zaak
Een zoon (appellant) werd tijdens de afscheidsdienst van zijn moeder verzocht de kerk te verlaten, op verzoek van zijn zus (geïntimeerde) via de uitvaartverzorger. De appellant stelt dat dit onrechtmatig was wegens schending van artikel 6:162 BW en artikel 8 EVRM (family life) en vordert vergoeding van immateriële schade.
Beslissing van de rechter
Het hof wijst de vordering van appellant af; de grieven in principaal hoger beroep falen. Doorslaggevend is dat de verstandhouding tussen partijen ernstig verstoord was na een incident op 11 december 2022 (met politiedossier), waardoor appellant er niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij zonder meer welkom was bij de dienst.
Impactscore
LaagHet betreft een casuïstische uitkomst van een gerechtshof in een individueel familiegeschil; de rechtsvraag over horizontale werking van artikel 8 EVRM is niet nieuw en de uitspraak stelt geen nieuwe algemene rechtsregels.
Belangrijkste punten
- 1Het recht om afscheid te nemen van een overleden ouder valt onder het door artikel 8 EVRM beschermde 'family life'.
- 2Dit mensenrecht kan via de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm van artikel 6:162 BW doorwerken in privaatrechtelijke verhoudingen.
- 3De ernst van een onrechtmatige daad wordt beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval.
- 4Een ernstig verstoorde familierelatie, gedocumenteerd in een politiedossier, kan het gerechtvaardigd vertrouwen op toegang tot een afscheidsdienst wegnemen.
- 5De ontvangst van een rouwkaart creëert op zichzelf geen afdwingbaar recht op aanwezigheid bij de uitvaart.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt dat artikel 8 EVRM via de onrechtmatige daadsnorm kan doorwerken in horizontale verhoudingen, maar dat de concrete omstandigheden – waaronder de aard van de relatie tussen partijen – bepalend zijn voor de vraag of een uitsluiting van een uitvaart onrechtmatig is.
Praktische impact
Voor nabestaanden in verstoorde familiesituaties biedt deze uitspraak weinig houvast voor een recht op aanwezigheid bij een uitvaart; de organiserende partij kan bij aantoonbaar ernstig conflict de toegang ontzeggen zonder dat dit zonder meer onrechtmatig is.
Onderwerp-impact
In de context van uitvaartverzorging en familierecht maakt de uitspraak duidelijk dat het ontvangen van een rouwkaart niet kan worden uitgelegd als een uitnodiging of garantie van toegang tot de afscheidsdienst.
Samenvatting
In deze zaak stond de vraag centraal of een zus onrechtmatig heeft gehandeld door haar broer tijdens de afscheidsdienst van hun moeder te laten verzoeken de kerk te verlaten. De broer (appellant) stelde dat dit verzoek, gedaan via de uitvaartverzorger, in strijd was met artikel 6:162 BW en met het in artikel 8 EVRM verankerde recht op family life. Hij vorderde vergoeding van immateriële schade wegens ernstige psychische gevolgen, waaronder een negatief effect op zijn rouwproces. Het Gerechtshof Amsterdam erkent dat het recht om afscheid te nemen van een overleden ouder een fundamenteel onderdeel vormt van het door artikel 8 EVRM beschermde family life, en dat dit mensenrecht via de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm van artikel 6:162 BW kan doorwerken in horizontale – dat wil zeggen: private – rechtsverhoudingen. Of sprake is van onrechtmatig handelen, dient echter te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. In dat kader weegt het hof zwaar dat de verstandhouding tussen partijen ten tijde van de uitvaart ernstig verstoord was als gevolg van een incident op 11 december 2022, waarvan een politiedossier is opgemaakt. Hoewel de zus de broer ná het overlijden van de moeder een rouwkaart heeft gestuurd na het opvragen van zijn adres, brengt dit niet mee dat appellant er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen onvoorwaardelijk welkom te zijn bij de dienst. Het hof verwerpt daarmee alle zeven grieven van appellant in principaal hoger beroep. De uitspraak bevestigt dat de horizontale werking van grondrechten als artikel 8 EVRM in civiele verhoudingen niet automatisch leidt tot een afdwingbaar recht op aanwezigheid bij een uitvaart. De specifieke context van de familierelatie – inclusief voorafgaande incidenten – is bepalend voor de beoordeling van de onrechtmatigheid.