Notaris deels schuldig aan niet tijdig reageren op vragen
ECLI:NL:GHAMS:2026:319, Gerechtshof Amsterdam, 17-02-2026, 200.357.550/01 NOT
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Klacht tegen een notaris. Klacht over handelsnaam notaris, belang klager? Oprichting huurdersorganisatie als bedoeld in de Wohv; wijze benoeming bestuur door en uit huurders. Reactie notaris op e-mail klager; beroep geheimhoudingsplicht. Klacht deels gegrond, maar geen maatregel mede vanwege het taalgebruik van klager.
Kern van de zaak
Een klager diende een tuchtklacht in tegen een notaris over een misleidende handelsnaam (Notaris Unie), een tweede klachtonderdeel en het niet tijdig of inhoudelijk reageren op zijn vragen. Klager was geen cliënt van het kantoor. De kamer verklaarde twee klachtonderdelen niet-ontvankelijk en één ongegrond; klager ging in hoger beroep bij het Gerechtshof Amsterdam.
Beslissing van de rechter
Het hof verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond: de notaris is nalatig geweest door niet tijdig en niet inhoudelijk onderbouwd te reageren op vragen van klager. Het hof ziet echter af van het opleggen van een maatregel. Ten aanzien van de overige klachtonderdelen (misleidende handelsnaam en een tweede onderdeel) sluit het hof zich aan bij het oordeel van de kamer dat klager niet-ontvankelijk is, respectievelijk dat de klacht ongegrond is.
Impactscore
LaagHet betreft een tuchtrechtelijke procedure bij een gerechtshof met een beperkte feitelijke reikwijdte en geen nieuwe rechtsvragen; de uitkomst (gedeeltelijk gegrond, geen maatregel) heeft weinig precedentwerking buiten de specifieke casus.
Belangrijkste punten
- 1Klager was geen cliënt van het notariskantoor, waardoor hij geen klachtrecht kon ontlenen aan het gebruik van de handelsnaam 'Notaris Unie'; een algemeen belang staat te ver verwijderd.
- 2Een notaris mag zich op grond van artikel 101 lid 2 Wet op het notarisambt laten bijstaan door een raadsman die geen advocaat hoeft te zijn; bijstand door een medewerker van een rechtsbijstandsverzekeraar is toegestaan.
- 3Het hof constateert dat klager onnodig grievende bewoordingen heeft gebruikt richting de gemachtigde van de notaris, maar verbindt daar geen procedurele consequenties aan.
- 4De notaris is wél nalatig bevonden door niet tijdig en niet inhoudelijk onderbouwd te reageren op vragen van klager (klachtonderdeel III in hoger beroep gegrond verklaard).
- 5Ondanks de gegrondverklaring legt het hof geen maatregel op, wat duidt op een relatief lichte ernst van de vastgestelde nalatigheid.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de bestaande lijn dat een klager een voldoende concreet eigen belang moet aantonen om ontvankelijk te zijn in een tuchtklacht over een handelsnaam, en dat een algemeen belang daarvoor onvoldoende is. Voorts verduidelijkt het hof dat vertegenwoordiging door een niet-advocaat in notarieel tuchtrecht geoorloofd is.
Praktische impact
Voor klagers zonder directe cliëntrelatie met een notaris is het vrijwel onmogelijk om ontvankelijk te worden verklaard bij klachten over de handelsnaam van een kantoor. Notarissen worden eraan herinnerd dat zij tijdig en inhoudelijk moeten reageren op vragen, ook van niet-cliënten.
Onderwerp-impact
Binnen het notarieel tuchtrecht onderstreept deze uitspraak het belang van adequate communicatie door notarissen; een gebrek daaraan kan leiden tot een gegronde tuchtklacht, ook al wordt geen maatregel opgelegd.
Samenvatting
In deze tuchtrechtelijke procedure in hoger beroep beoordeelde het Gerechtshof Amsterdam een klacht van een burger tegen een notaris die werkzaam was onder de handelsnaam 'Notaris Unie'. Klager had drie klachtonderdelen ingediend: (I) gebruik van een misleidende handelsnaam, (II) een tweede onderdeel dat in de beschikbare tekst niet volledig is uitgewerkt, en (III) nalatigheid door niet tijdig en niet inhoudelijk te reageren op zijn vragen. De kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden had klager ten aanzien van klachtonderdelen I en II niet-ontvankelijk verklaard en klachtonderdeel III ongegrond bevonden. Klager stelde hoger beroep in. Het hof bevestigde de niet-ontvankelijkheid ten aanzien van klachtonderdeel I over de handelsnaam. Omdat klager nooit cliënt was geweest bij het kantoor, kon hij geen voldoende concreet eigen belang aantonen; een louter algemeen belang stond in een te ver verwijderd verband. Daarnaast verwierp het hof het bezwaar van klager tegen de bijstand van de notaris door een medewerker van een rechtsbijstandsverzekeraar. Op grond van artikel 101 lid 2 van de Wet op het notarisambt is een notaris vrij in de keuze van zijn raadsman; een verplichting om een gespecialiseerde tuchtrechtadvocaat in te schakelen bestaat niet. Opmerkelijk is dat het hof klagers grievende bewoordingen jegens de gemachtigde betreurt, maar dit niet laat doorwerken in de beoordeling. Ten aanzien van klachtonderdeel III komt het hof echter tot een andere conclusie dan de kamer: de notaris is wél nalatig geweest door niet tijdig en niet inhoudelijk onderbouwd te reageren op de vragen van klager. De klacht wordt op dit punt alsnog gegrond verklaard. Het hof ziet echter af van het opleggen van een tuchtrechtelijke maatregel, hetgeen suggereert dat de ernst van de schending beperkt wordt geacht. De uitspraak heeft beperkte precedentwerking maar bevestigt het belang van zorgvuldige communicatie door notarissen.