Bezwaar tegen naheffingsaanslag terecht niet-ontvankelijk verklaard
ECLI:NL:GHAMS:2026:2813, Gerechtshof Amsterdam, 20-08-2026, 25/850
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Fiscaal procesrecht. Naheffingsaanslag parkeerbelasting bij ambtshalve beslissing door de heffingsambtenaar vernietigd; bezwaar tegen de aanslag wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Het Hof oordeelt onder meer dat de heffingsambtenaar van het horen in bezwaar heeft mogen afzien.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag, maar het bezwaarschrift werd vijf dagen na het verstrijken van de bezwaartermijn ontvangen. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. Belanghebbende beriep zich op de postuitzondering van artikel 6:9 lid 2 Awb.
Beslissing van de rechter
Het Gerechtshof Amsterdam bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek tot schadevergoeding af. Doorslaggevend is dat het bezwaarschrift pas na afloop van de bezwaartermijn ter post is bezorgd (poststempel 13 februari 2024), waardoor de uitzondering van artikel 6:9 lid 2 Awb niet van toepassing is, en belanghebbende geen bewijs heeft geleverd van eerdere terpostbezorging.
Impactscore
LaagDe uitspraak past geheel binnen bestaande jurisprudentie (HR 2011) over de bewijslast bij terpostbezorging en heeft geen nieuwe rechtsontwikkeling gebracht; het betreft een routinematige toepassing van bekende regels in een individuele belastingzaak.
Belangrijkste punten
- 1Bezwaartermijn eindigde op 9 februari 2024; poststempel toont terpostbezorging op 13 februari 2024, dus na afloop van de termijn.
- 2Artikel 6:9 lid 2 Awb biedt soelaas alleen als het stuk vóór afloop van de termijn ter post is bezorgd; aan die voorwaarde is niet voldaan.
- 3Bewijsrechtelijk uitgangspunt: terpostbezorging wordt geacht te hebben plaatsgevonden op de dag van het poststempel (HR 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2138).
- 4De bewijslast voor een eerdere terpostbezorging rust op de belastingplichtige; hij heeft geen enkel bewijs aangedragen.
- 5Verzoek om vergoeding van immateriële schade en proceskosten wordt afgewezen.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat het poststempel als bewijsrechtelijk uitgangspunt geldt voor de datum van terpostbezorging en dat de uitzondering van artikel 6:9 lid 2 Awb een strikte tijdigheidseis stelt die de bezwaarmaker moet bewijzen te hebben nageleefd.
Praktische impact
Belastingplichtigen die per post bezwaar maken dienen er rekening mee te houden dat het poststempel bepalend is en dat zij bij betwisting zelf bewijs moeten overleggen van eerdere terpostbezorging, bijvoorbeeld via een verzendbewijs.
Onderwerp-impact
In belastingzaken onderstreept deze uitspraak het belang van tijdige terpostbezorging en het bewaren van verzendbewijzen, nu de heffingsambtenaar zich zonder meer op het poststempel mag baseren.
Samenvatting
In deze zaak had een belastingplichtige bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het bezwaarschrift vijf dagen na afloop van de bezwaartermijn (9 februari 2024) was ontvangen, en het poststempel uitwees dat het stuk pas op 13 februari 2024 — eveneens na afloop van de termijn — ter post was bezorgd. De rechtbank bevestigde die beslissing, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het Gerechtshof Amsterdam. Centraal stond de vraag of de uitzondering van artikel 6:9 lid 2 Awb van toepassing was. Op grond van die bepaling geldt een bezwaarschrift als tijdig ingediend indien het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen, mits het vóór het einde van de termijn ter post is bezorgd. Belanghebbende stelde dat hij het bezwaarschrift al op 9 februari 2024 — de laatste dag van de termijn — ter post had bezorgd. Het Hof verwierp dit betoog. Als bewijsrechtelijk uitgangspunt geldt, in navolging van het arrest van de Hoge Raad van 28 januari 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP2138), dat terpostbezorging heeft plaatsgevonden op de dag waarop het poststuk door het postvervoerbedrijf is afgestempeld. Het poststempel wees uit dat dit op 13 februari 2024 was, dus na de termijn. De bewijslast voor een eerdere terpostbezorging rust op de bezwaarmaker, maar belanghebbende heeft geen enkel bewijsstuk overgelegd — zoals een verzendbewijs — om zijn stelling te onderbouwen. Het Hof bevestigt dan ook de uitspraak van de rechtbank en wijst tevens het verzoek om vergoeding van immateriële schade en proceskosten af. De uitspraak brengt geen nieuw recht maar onderstreept het praktische belang voor belastingplichtigen om bij postale indiening van bezwaar altijd een gedateerd verzendbewijs te bewaren.