Hof wijst vordering money service business tegen ING af
ECLI:NL:GHAMS:2026:2798, Gerechtshof Amsterdam, 29-09-2026, 200.367.570
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Incident tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv; afwijzing.
Kern van de zaak
Een money service business (MSB) die geldtransfers verzorgt naar Somalië voor klanten zonder bankrekening, vordert in kort geding dat ING de opgezegde pin-faciliteit herstelt. ING had de faciliteit beëindigd vanwege risico's met MasterCard-voorwaarden en een onjuiste veronderstelling over de aard van appellant als louter ideële stichting.
Beslissing van de rechter
Het Gerechtshof Amsterdam wijst de incidentele vordering (provisionele voorziening) van appellant af. Doorslaggevend is dat ING een reëel risico loopt op problemen met MasterCard en dat alternatieve betalingsmogelijkheden (iDeal) beschikbaar blijven, waardoor de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aanvaardbaar wordt geacht.
Impactscore
LaagHet betreft een incidentele (voorlopige voorziening) beslissing in hoger beroep zonder definitieve uitkomst; de hoofdzaak loopt nog. De uitspraak past bestaande rechtspraak toe en stelt geen nieuwe rechtsregels.
Belangrijkste punten
- 1ING heeft de pin-faciliteit opgezegd op 6 mei 2026 wegens niet-naleving van MasterCard-voorwaarden en een onjuiste veronderstelling over de aard van appellant (ideële stichting vs. betaalinstelling)
- 2De rechtbank had de vordering tot voortzetting van de pin-faciliteit al afgewezen; het hof bekrachtigt dit oordeel in het incident
- 3Alternatieve betalingsmogelijkheden (iDeal) blijven beschikbaar voor klanten van appellant
- 4ING heeft een lijst met mogelijke alternatieve aanbieders overgelegd, waarop appellant niet heeft gereageerd
- 5De hoofdzaak wordt voortgezet; ING moet memorie van antwoord indienen op 10 november 2026
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat een bank een faciliteitsdienst redelijkerwijs kan opzeggen indien zij contractuele risico's loopt jegens een kaartnetwerk (MasterCard), mits alternatieve dienstverlening beschikbaar blijft. De norm van redelijkheid en billijkheid bij bancaire opzegging wordt toegepast conform bestaande rechtspraak.
Praktische impact
Appellant kan voorlopig geen gebruik maken van een pin-faciliteit van ING, maar kan klantbetalingen via iDeal blijven ontvangen. De definitieve uitkomst over de rechtmatigheid van de opzegging wordt bepaald in de hoofdzaak.
Onderwerp-impact
Voor money service businesses die afhankelijk zijn van bancaire infrastructuur voor grensoverschrijdende geldtransfers naar landen met beperkte bankdekking, onderstreept deze uitspraak de kwetsbaarheid van hun positie bij bancaire derisking.
Samenvatting
Deze zaak betreft een money service business (MSB) die in Nederland geldtransfers verzorgt naar Somalië voor klanten zonder bankrekening. De MSB maakt gebruik van bankrekeningen en faciliteiten van ING, waaronder een pin-faciliteit. ING heeft meerdere faciliteiten opgezegd, waaronder de pin-faciliteit op 6 mei 2026. De reden hiervoor is tweeledig: enerzijds verkeerde ING in de onjuiste veronderstelling dat appellant uitsluitend een ideële stichting was en geen betaalinstelling, anderzijds loopt ING een reëel risico op problemen met MasterCard omdat zij niet kan voldoen aan de strenge voorwaarden die zij met MasterCard heeft afgesproken. De rechtbank wees in eerste aanleg de vordering tot herstel van de pin-faciliteit al af, omdat de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aanvaardbaar werd geacht. In hoger beroep heeft appellant een incidentele vordering tot een voorlopige voorziening ingediend, strekkende tot herstel van de pin-faciliteit hangende de bodemprocedure. Het Gerechtshof Amsterdam wijst deze incidentele vordering af. Het hof sluit aan bij het oordeel van de rechtbank: ING heeft een reëel en legitiem belang bij beëindiging van de pin-faciliteit wegens de MasterCard-problematiek. Daarbij weegt mee dat ING een lijst van alternatieve aanbieders heeft overgelegd waarop appellant niet heeft gereageerd, en dat klanten van appellant hun betalingen aan appellant via iDeal kunnen blijven verrichten. Hierdoor is de uitoefening van de bedrijfsactiviteiten van appellant niet volledig geblokkeerd. De proceskosten in het incident worden aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak. De hoofdzaak zelf wordt voortgezet; ING dient op 10 november 2026 een memorie van antwoord in te dienen. De definitieve beoordeling van de rechtmatigheid van de bancaire opzegging volgt dus nog.