Bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard zonder waarschuwing
ECLI:NL:GHAMS:2026:2583, Gerechtshof Amsterdam, 25-08-2026, 25/1693
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)WOZ 2023 niet-woning. Hoogte dwangsom. Hoogte kostenvergoeding bezwaar en beroep. Artikel 30a WOZ.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige (eiser) diende bezwaar in tegen een belastingaanslag. De heffingsambtenaar vroeg hem tweemaal zijn bezwaar te motiveren, maar verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk toen geen gronden werden ingediend. Eiser stelde dat hij hiervoor nooit was gewaarschuwd.
Beslissing van de rechter
Het beroep is gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar is vernietigd. Doorslaggevend is dat de heffingsambtenaar verzuimd heeft eiser uitdrukkelijk te waarschuwen dat overschrijding van de gestelde termijn kon leiden tot niet-ontvankelijkverklaring, wat vaste jurisprudentie vereist. Tevens wordt een dwangsom van €23 vastgesteld wegens te late beslissing op het bezwaar.
Impactscore
LaagDe uitspraak past volledig binnen de vaste jurisprudentie en bevestigt een bekende rechtsregel zonder nieuwe normen te stellen. De zaak betreft een laagdrempelig geschil met een gering financieel belang.
Belangrijkste punten
- 1Een bestuursorgaan dat een fatale termijn stelt voor het indienen van bezwaargronden, moet de indiener uitdrukkelijk waarschuwen dat niet-ontvankelijkheid het gevolg kan zijn bij overschrijding.
- 2De heffingsambtenaar heeft dit verzuimd in brieven van 4 mei 2023 en 26 juni 2023, waardoor de niet-ontvankelijkverklaring onrechtmatig was.
- 3Het dwangsombesluit wordt vernietigd en de rechter stelt de verbeurde dwangsom zelf vast op €23 wegens te late beslissing na ingebrekestelling.
- 4De heffingsambtenaar wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van de uitspraak.
- 5Het griffierecht van €51 wordt door de heffingsambtenaar vergoed aan eiser.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste jurisprudentielijn dat een fatale termijn in een bezwaarprocedure alleen rechtsgevolgen heeft als de indiener vooraf uitdrukkelijk is gewezen op de consequentie van niet-ontvankelijkheid. Dit stelt een duidelijke zorgvuldigheidseis aan bestuursorganen.
Praktische impact
Heffingsambtenaren en andere bestuursorganen dienen in aanmaningsbrieven altijd expliciet te vermelden dat termijnoverschrijding tot niet-ontvankelijkheid kan leiden, anders kunnen zij geen bezwaren niet-ontvankelijk verklaren.
Onderwerp-impact
Voor belastingplichtigen biedt deze uitspraak bescherming tegen formele afdoening van bezwaren wanneer zij niet adequaat zijn geïnformeerd over de gevolgen van termijnoverschrijding in de bezwaarprocedure.
Samenvatting
In deze belastingzaak bij de rechtbank (in hoger beroep voorgelegd aan het Gerechtshof Amsterdam) staat de vraag centraal of een heffingsambtenaar een bezwaar niet-ontvankelijk mag verklaren wanneer de bezwaarmaker geen gronden heeft ingediend, maar daarvoor nooit uitdrukkelijk is gewaarschuwd. De eiser had bezwaar ingediend tegen een belastingaanslag. De heffingsambtenaar stuurde hem op 4 mei 2023 en 26 juni 2023 brieven met het verzoek het bezwaar binnen zes weken te motiveren. In beide brieven ontbrak echter elke vermelding dat het uitblijven van gronden tot niet-ontvankelijkverklaring zou kunnen leiden. Toen eiser geen gronden indiende, verklaarde de heffingsambtenaar het bezwaar niet-ontvankelijk. De rechtbank stelt vast dat dit in strijd is met de vaste jurisprudentie inzake de zorgvuldigheid die een bestuursorgaan in acht moet nemen. Wanneer een termijn als fataal wordt bedoeld, dient de indiener van het bezwaar uitdrukkelijk te worden gewezen op de mogelijke consequentie van niet-ontvankelijkheid. Nu dit is nagelaten, was de niet-ontvankelijkverklaring onrechtmatig en wordt de uitspraak op bezwaar vernietigd. De heffingsambtenaar wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar. Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat ten onrechte geen dwangsom is toegekend, omdat de heffingsambtenaar te laat heeft beslist op het bezwaar na ontvangst van een ingebrekestelling. De rechtbank honoreert dit standpunt: de heffingsambtenaar had niet binnen twee weken na de ingebrekestelling beslist en verbeurt daardoor een dwangsom. De rechtbank vernietigt het dwangsombesluit, stelt de verbeurde dwangsom zelf vast op €23 en bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van het oorspronkelijke dwangsombesluit. Tot slot wordt de heffingsambtenaar veroordeeld het griffierecht van €51 aan eiser te vergoeden.