Erfbelasting navorderingsaanslag en vergrijpboete deels verlaagd
ECLI:NL:GHAMS:2026:2574, Gerechtshof Amsterdam, 21-07-2026, 25/726
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Navorderingsaanslag erfbelasting met vergrijpboete terecht opgelegd? Is voldaan aan de voortvarendheidseis? Zijn de inspecteur inkomstenbelasting en de inspecteur erfbelasting één bestuursorgaan? Heropening in verband met vragen Hof aan inspecteur. Schending algemene beginselen behoorlijk bestuur?
Kern van de zaak
Een erfgename ontving een navorderingsaanslag erfbelasting nadat de Belastingdienst buitenlandse (Belgische) rekeningen ontdekte die niet in de erfbelastingaangifte waren opgenomen. De inspecteur legde tevens een vergrijpboete op. Eiseres ging in beroep en vervolgens in hoger beroep bij het Gerechtshof Amsterdam.
Beslissing van de rechter
Het beroep is ongegrond verklaard: de navorderingsaanslag erfbelasting blijft in stand. De vergrijpboete is echter verminderd tot € 4.500 en eiseres ontvangt een immateriële schadevergoeding van € 1.000 (€ 500 van de inspecteur, € 500 van de Staat) wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Impactscore
LaagHet betreft een feitelijk gedreven individuele belastingzaak zonder precedentwerking voor nieuwe rechtsvragen; de toegepaste regels over navordering, vergrijpboetes en immateriële schadevergoeding zijn gevestigd recht.
Belangrijkste punten
- 1Buitenlandse Belgische bankrekeningen waren niet opgenomen in de oorspronkelijke noch de herziene aangifte erfbelasting uit 2010/2011.
- 2De Belastingdienst ontdekte de rekeningen pas in 2020 via een informatieverzoek, waarop eiseres een verklaring vermogen buitenland indiende.
- 3De rechtbank verklaarde het beroep tegen de navorderingsaanslag ongegrond: de aanslag bleef ongewijzigd.
- 4De vergrijpboete werd door de rechtbank gematigd van een hoger bedrag tot € 4.500, vermoedelijk wegens persoonlijke omstandigheden of proportionaliteit.
- 5Wegens overschrijding van de redelijke termijn werd immateriële schadevergoeding toegekend, verdeeld over de inspecteur en de Staat.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat niet-aangegeven buitenlandse vermogensbestanddelen in erfbelastingaangiften kunnen leiden tot navordering en een vergrijpboete, waarbij de rechter de boete kan matigen op grond van proportionaliteit. De toekenning van immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding volgt vaste jurisprudentie.
Praktische impact
Voor erfgenamen betekent dit dat ook buitenlandse rekeningen die vóór het overlijden op naam van de erflater of erfgenaam stonden volledig in de erfbelastingaangifte moeten worden opgenomen, op straffe van navordering en boete. De matiging van de boete biedt enige bescherming bij persoonlijke omstandigheden.
Onderwerp-impact
In de financiële dienstverlening en vermogensbeheer benadrukt deze zaak het belang van volledige disclosure van grensoverschrijdend vermogen bij estate planning en belastingaangiften, met name voor buitenlandse bankproducten.
Samenvatting
In deze zaak stond een navorderingsaanslag erfbelasting en een vergrijpboete centraal, opgelegd aan een erfgename die in haar aangifte erfbelasting (ingediend in 2010 en herzien in 2011) buitenlandse bankrekeningen bij een Belgische financiële instelling niet had opgenomen. De erfrechtelijke verkrijging bedroeg volgens de herziene aangifte € 1.409.301, waarover € 150.060 erfbelasting was vastgesteld. In 2020 vroeg de Belastingdienst om informatie over Belgische rekeningen, waarop eiseres een verklaring vermogen buitenland indiende. Uit die verklaring bleek dat zij beschikte over rekeningen die niet in de erfbelastingaangifte waren vermeld, hoewel zij stelde dat haar echtgenoot in 1982 een rekening op haar naam had geopend. De vraag in het formulier over niet eerder aangegeven erfenissen had eiseres doorgestreept. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de navorderingsaanslag ongegrond: er was voldoende grondslag voor navordering. Wel matigde de rechtbank de vergrijpboete tot € 4.500. Omdat de procedure langer had geduurd dan de redelijke termijn, kende de rechtbank een immateriële schadevergoeding toe van € 500 ten laste van de inspecteur en € 500 ten laste van de Staat der Nederlanden. De proceskosten werden evenredig verdeeld. Het Gerechtshof Amsterdam heeft het onderzoek gesloten zonder nadere zitting, nadat de inspecteur niet had gereageerd op de vraag of hij een zitting wenste. De uitkomst illustreert hoe de Belastingdienst ook jaren na een erfbelastingaangifte kan navorderen wanneer buitenlands vermogen niet was aangegeven, en dat rechters de hoogte van vergrijpboetes kunnen toetsen aan proportionaliteit. De zaak bevestigt tevens de vaste lijn dat termijnoverschrijding in fiscale procedures leidt tot immateriële schadevergoeding.