Vader krijgt geen alimentatieverlaging ondanks ingetrokken verblijfsvergunning
ECLI:NL:GHAMS:2026:2453, Gerechtshof Amsterdam, 01-09-2026, 200.359.755/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)kinderalimentatie, geen sprake van een wijziging van omstandigheden in de zin van art. 1:401 lid 1 BW.
Kern van de zaak
Een vader verzocht verlaging van de door hem te betalen kinderalimentatie van €100 per maand, stellende dat hij geen inkomsten meer had omdat zijn verblijfsvergunning was ingetrokken per 1 juli 2024. De moeder ging in hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank Amsterdam die de verlaging had toegewezen.
Beslissing van de rechter
Het hof wijst het verzoek tot wijziging van kinderalimentatie af en handhaaft de bijdrage van €100 per maand. Doorslaggevend is dat de vader aantoonbaar inkomsten heeft verworven na de gestelde ingangsdatum en dat hij op grond van verblijfsstickers in zijn paspoort nog steeds rechtmatig in Nederland mag werken.
Impactscore
LaagHet betreft een feitelijke beoordeling in een individuele alimentatiezaak zonder nieuwe rechtsvragen; de toepassing van artikel 1:401 BW is standaard en de uitkomst vloeit logisch voort uit de vastgestelde feiten.
Belangrijkste punten
- 1Verblijfsvergunning vader werd pas op 28 mei 2025 ingetrokken, niet per 1 juli 2024 zoals gesteld
- 2Vader ontving UWV-uitkering in augustus en september 2024 en had inkomsten uit werk tot mei 2025
- 3IND-verblijfsstickers geven vader rechtmatig verblijf en arbeidsrecht gedurende aanvraagprocedure nieuwe vergunning
- 4Geen wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW aangetoond
- 5Fouten/omissies van de rechtbank in eerste aanleg kunnen in hoger beroep worden hersteld
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat een beroep op wijziging van omstandigheden ex artikel 1:401 lid 1 BW feitelijk onderbouwd moet worden en dat tijdelijke verblijfsonzekerheid met behoud van werkrecht geen grond vormt voor alimentatieverlaging.
Praktische impact
De vader dient de kinderalimentatie van €100 per maand te blijven betalen; zijn argument dat intrekking van de verblijfsvergunning zijn inkomen heeft weggenomen slaagt niet zolang hij feitelijk inkomen verwerft of kan verwerven.
Onderwerp-impact
Voor ouders met een verblijfsrechtelijke status die alimentatie betalen, verduidelijkt deze uitspraak dat een lopende IND-procedure met verblijfsstickers niet automatisch leidt tot verlies van arbeidsmogelijkheden die een alimentatieverlaging rechtvaardigen.
Samenvatting
In deze alimentatiezaak staat centraal de vraag of de intrekking van de verblijfsvergunning van de vader een wijziging van omstandigheden oplevert die rechtvaardigt dat de kinderalimentatie van €100 per maand wordt verlaagd. De vader stelde dat hij vanaf 1 juli 2024 geen inkomsten meer had omdat hij niet meer mocht werken na verlies van zijn verblijfsrecht. De moeder was het hier niet mee eens en ging in hoger beroep tegen de rechtbankbeschikking die de verlaging had toegewezen. Het Gerechtshof Amsterdam volgt het standpunt van de vader niet. Uit het dossier blijkt dat de verblijfsvergunning pas op 28 mei 2025 is ingetrokken, niet per 1 juli 2024 zoals de vader beweerde. Bovendien heeft hij in de tussenliggende periode daadwerkelijk inkomsten genoten: hij ontving een UWV-uitkering in augustus en september 2024 en werkte in de periode januari tot en met mei 2025 voor meerdere uitzendbureaus en hotelservicebedrijven. Daarmee is de feitelijke basis voor het wijzigingsverzoek komen te ontvallen. Daarnaast stelt het hof vast dat de vader, ondanks de intrekking van zijn verblijfsvergunning, nog steeds rechtmatig in Nederland verblijft en mag werken. De door de IND afgegeven verblijfsstickers in zijn paspoort verlenen hem dit recht gedurende de lopende aanvraagprocedure voor een nieuwe verblijfsvergunning. Er is dus geen sprake van een situatie waarin de vader feitelijk geen arbeid kan verrichten. Het hof concludeert dat geen wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW is aangetoond en handhaaft de vastgestelde kinderalimentatie van €100 per maand. De moeder, die in hoger beroep was gegaan, krijgt daarmee gelijk. De zaak illustreert dat een beroep op inkomstenverlies door verblijfsrechtelijke complicaties nauwkeurig feitelijk onderbouwd moet zijn.