JurispRadar
ECLI:NL:GHAMS:2026:2052Laag22/100

Hoger beroep moeder tegen uithuisplaatsing kind ongegrond

ECLI:NL:GHAMS:2026:2052, Gerechtshof Amsterdam, 28-07-2026, 200.368.043/01

Gerechtshof AmsterdamUitspraak: 28 juli 2026Publicatie: 28 juli 2026
Zaaknummer:200.368.043/01
Bestuursprocesrecht
Personen- en familierecht
Arbeidsrelaties
Zorg
Ondertoezichtstelling
Uithuisplaatsing
Jeugdbescherming
Procesreglement
Gecertificeerde Instelling

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Hof bekrachtigt machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige bij de vader. De positieve ontwikkeling van de moeder is nog onvoldoende bestendig om de minderjarige bij haar terug te plaatsen. Huidige omgang enkel mogelijk met intensieve begeleiding en binnen duidelijke kaders. Artikel: 1:265b BW en 1:265c lid twee BW

Kern van de zaak

Een moeder gaat in hoger beroep tegen een beschikking van de kinderrechter Amsterdam waarbij een machtiging tot uithuisplaatsing van haar kind (geboren 2018) is verleend. De Gecertificeerde Instelling (GI) en de vader zijn het eens met de beslissing van de kinderrechter. De moeder verzoekt de uithuisplaatsing te beëindigen of in duur te beperken.

Beslissing van de rechter

Het hof heeft het hoger beroep van de moeder kennelijk ongegrond verklaard en de bestreden beschikking van 24 februari 2026 bevestigd; de uithuisplaatsing blijft in stand. Doorslaggevend is dat de moeder onvoldoende gronden heeft aangevoerd om de machtiging tot uithuisplaatsing te beëindigen of te beperken, terwijl de GI en de vader de beslissing van de kinderrechter ondersteunen.

22van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een casuïstische beslissing in een individuele jeugdbeschermingszaak zonder nieuwe rechtsvragen of richtinggevende overwegingen; de uitkomst is sterk feitelijk bepaald en heeft beperkte precedentwerking.

Belangrijkste punten

  • 1Procesrechtelijk bezwaar: het bericht van de GI ingediend op 8 juli 2026 (buiten de tiendagentermijn) werd toch toegelaten, omdat de GI redelijkerwijs niet eerder kon indienen en de moeder voldoende gelegenheid had te reageren.
  • 2Het bericht van de moeder van 13 juli 2026, niet ingediend via een advocaat, werd buiten beschouwing gelaten wegens strijd met het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven.
  • 3Het kind stond eerder onder toezicht van 2021 tot 2023, en opnieuw vanaf 26 augustus 2024; de uithuisplaatsing is bij spoedmachtiging op 27 maart 2025 opgelegd.
  • 4Gezamenlijk gezag van beide ouders over het kind is niet aangetast door de uithuisplaatsing.
  • 5De GI en de vader ondersteunen de bestreden beschikking; alleen de moeder verzet zich tegen de uithuisplaatsing.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt dat stukken die niet via een advocaat worden ingediend, op grond van het Procesreglement buiten beschouwing blijven, ook in emotioneel beladen familiezaken. Daarnaast verduidelijkt het hof de beoordelingsruimte bij overschrijding van indieningstermijnen door de GI.

Praktische impact

Het kind blijft uit huis geplaatst totdat de machtiging afloopt of een nieuwe rechterlijke beslissing wordt genomen; de moeder heeft haar doel — beëindiging of beperking van de uithuisplaatsing — niet bereikt. De moeder dient zich in vervolgprocedures te laten bijstaan door een advocaat om te voorkomen dat haar stukken opnieuw buiten beschouwing worden gelaten.

Onderwerp-impact

In jeugdzorgzaken benadrukt deze uitspraak het belang van tijdige en procedureel correcte indiening van stukken door alle partijen, inclusief de GI, en de strenge procesrechtelijke eisen in hoger beroep bij familiezaken.

Samenvatting

In deze zaak bij het Gerechtshof Amsterdam stond centraal of een machtiging tot uithuisplaatsing van een kind (geboren 2018) moest worden beëindigd of in duur beperkt. De moeder ging op 24 april 2026 in hoger beroep tegen de beschikking van de kinderrechter Amsterdam van 24 februari 2026, waarbij de uithuisplaatsing was gehandhaafd. De Gecertificeerde Instelling (GI) en de vader onderschreven de bestreden beschikking. Het kind had al eerder onder toezicht gestaan (2021–2023) en stond opnieuw onder toezicht vanaf augustus 2024; de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing dateerde van 27 maart 2025. Procesrechtelijk deed zich een tweetal kwesties voor. Ten eerste diende de GI op 8 juli 2026 — buiten de tiendagentermijn vóór de zitting — een bericht met bijlagen in, waaronder twee nieuwe verzoekschriften over het kind. Het hof liet deze stukken toch toe, omdat de GI tot 6 juli 2026 nog relevante gesprekken voerde en redelijkerwijs niet eerder kon indienen, terwijl de moeder voldoende gelegenheid had gehad om zich te verweren. Van strijd met de goede procesorde was geen sprake. Ten tweede zond de moeder op 13 juli 2026 zelf — zonder tussenkomst van haar advocaat — een bericht met bijlagen aan het hof. Dit was in strijd met het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven, dat vereist dat stukken via een advocaat worden ingediend. Het hof liet deze stukken buiten beschouwing. Na de zitting van 14 juli 2026 bevestigde het hof de bestreden beschikking: de machtiging tot uithuisplaatsing bleef in stand. De moeder slaagde er niet in voldoende gronden aan te dragen voor beëindiging of beperking. De uitspraak illustreert het belang van procedurele naleving in hoger beroep in familiezaken en de beperkte ruimte voor rechterlijk discretionair oordeel bij tijdoverschrijding door de GI.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 3 augustus 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4446Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4446, Raad van State, 29-07-2026, 202407702/1/A2

Raad van State29 jul 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
28/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4425Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4425, Raad van State, 29-07-2026, 202505838/1/A3

Raad van State29 jul 2026OverheidHandhaving
28/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4405Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4405, Raad van State, 29-07-2026, 202404933/1/R1

Raad van State29 jul 2026VastgoedVergunningen
28/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:4437Middel
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:4437, Raad van State, 29-07-2026, 202504988/1/A2

Raad van State29 jul 2026SchadevergoedingOverheid
38/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied