Startersvrijstelling overdrachtsbelasting terecht toegepast door koper
ECLI:NL:GHAMS:2026:2008, Gerechtshof Amsterdam, 02-07-2026, 25/2034
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)overdrachtsbelasting; komt belanghebbende in aanmerking voor de vrijstelling van artikel 15, lid 1, letter p, Wet op belastingen van rechtsverkeer (de startersvrijstelling)?
Kern van de zaak
Een echtpaar (eisers) deed een beroep op de startersvrijstelling in de overdrachtsbelasting bij de aankoop van een woning. De belastingdienst (verweerder) legde naheffingsaanslagen en verzuimboetes op. In geschil was of de overdracht vóór 1 juni 2022 louter om fiscale redenen naar voren was gehaald.
Beslissing van de rechter
Het hof bevestigt dat de beroepen gegrond zijn verklaard: de naheffingsaanslagen en verzuimboetes worden vernietigd en de startersvrijstelling is terecht toegepast. De doorslaggevende reden is dat de vervroegde overdracht niet louter om fiscale redenen plaatsvond, maar (mede) omdat de verkoper de verkoopopbrengst nodig had voor de financiering van zijn eigen volgende aankoop.
Impactscore
MiddelDe uitspraak betreft een feitelijke toepassing van de startersvrijstelling in een specifieke casus en stelt geen nieuwe rechtsnormen vast, maar biedt wel praktische verduidelijking over het misbruikcriterium bij vervroegde overdrachten rondom de wetswijziging van 2022.
Belangrijkste punten
- 1De vervroegde overdracht vóór 1 juni 2022 was (mede) ingegeven door financieringsaspecten aan de zijde van de verkoper, niet uitsluitend door fiscale motieven van de koper.
- 2Bij afwezigheid van louter fiscale motieven voor vervroegde overdracht is de startersvrijstelling overdrachtsbelasting van toepassing.
- 3Het verzoek om integrale proceskostenvergoeding wordt afgewezen: verweerder heeft niet tegen beter weten in geprocedeerd over de startersvrijstelling.
- 4Vergoeding van bezwaarkosten wordt geweigerd omdat het verzoek daartoe niet tijdig (vóór uitspraak op bezwaar) is gedaan (art. 7:15 lid 3 Awb).
- 5Eisers ontvangen € 1.000 immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, € 1.814 proceskostenvergoeding en € 102 griffierecht.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt dat de startersvrijstelling overdrachtsbelasting niet wordt geweigerd indien de vervroegde overdracht mede is ingegeven door financieringsbelangen van de verkoper, zelfs als ook fiscale motieven meespelen. Dit beperkt de reikwijdte van het misbruikcriterium ('louter fiscale redenen').
Praktische impact
Kopers die vóór de wetswijziging van 1 juni 2022 een woning overnamen waarbij de timing mede werd bepaald door de verkoper, kunnen met succes een beroep doen op de startersvrijstelling indien zij dit kunnen onderbouwen.
Onderwerp-impact
Voor de vastgoedpraktijk en belastingadviseurs bevestigt deze uitspraak dat de intentie en omstandigheden rondom het tijdstip van overdracht doorslaggevend zijn bij de beoordeling van de startersvrijstelling, en dat verkoopfinanciering als niet-fiscale reden kwalificeert.
Samenvatting
In deze zaak vorderde een echtpaar de toepassing van de startersvrijstelling in de overdrachtsbelasting op de aankoop van hun woning. De overdracht had plaatsgevonden vóór 1 juni 2022, de datum waarop de leeftijdsgrens voor de startersvrijstelling werd afgeschaft. De belastingdienst stelde dat de overdracht louter om fiscale redenen naar voren was gehaald en legde naheffingsaanslagen op, aangevuld met verzuimboetes. De rechtbank oordeelde dat de vervroegde overdracht niet uitsluitend fiscaal gemotiveerd was. De verkoper had de eerdere overdrachtsdatum nodig omdat hij de verkoopopbrengst moest aanwenden voor de financiering van zijn eigen volgende woning. Nu de belastingdienst dit niet had weersproken, stond vast dat financieringsoverwegingen van de verkoper een belangrijke — zo niet doorslaggevende — rol speelden bij het vaststellen van de overdrachtsdatum. Daarmee was er geen sprake van het 'louter' naar voren halen van de overdracht om fiscale redenen, wat de toegangsdrempel vormt voor het weigeren van de startersvrijstelling. De beroepen werden gegrond verklaard, de naheffingsaanslagen en verzuimboetes vernietigd, en de startersvrijstelling alsnog toegepast. Het verzoek om integrale proceskostenvergoeding werd afgewezen, omdat de belastingdienst niet geacht werd tegen beter weten in te hebben geprocedeerd over de kern van het geschil. De bezwaarkostenvergoeding werd evenmin toegekend, nu het verzoek daartoe te laat was ingediend. Eisers ontvangen wel een immateriële schadevergoeding van € 1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn, alsmede een proceskostenvergoeding van € 1.814 en teruggave van griffierecht. In hoger beroep stelde de inspecteur alsnog beroep in, maar de uitkomst van de eerste aanleg wordt door het hof bevestigd.