WOZ-waarde woning verlaagd na hoger beroep over souterrain
ECLI:NL:GHAMS:2026:1826, Gerechtshof Amsterdam, 18-06-2026, 25/766
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)WOZ woning. Proceskostenvergoeding. Gemachtigde kwalificeert als bijzonder geval.
Kern van de zaak
Een woningeigenaar (belanghebbende) betwist de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning voor belastingjaar 2023. Hij stelt onder meer dat het souterrain van 100 m² geen daglichttoetreding heeft en daarom niet als volwaardige gebruiksoppervlakte mag worden meegeteld. De zaak betreft tevens de vraag of een correctiefactor op grond van art. 30a Wet WOZ achterwege moet blijven.
Beslissing van de rechter
Het beroep is gegrond verklaard en de WOZ-waarde is door de rechtbank vastgesteld op € 1.743.000,- (lager dan de oorspronkelijk bestreden waarde). De doorslaggevende reden is dat de heffingsambtenaar de eerder vastgestelde waarde zelf niet langer handhaafde; de stelling over het souterrain werd echter verworpen omdat bouwtekeningen daglichttoetreding via twee patio's aantonen. Belanghebbende heeft vervolgens tijdig hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Amsterdam.
Impactscore
LaagHet betreft een individuele WOZ-waardebepaling in hoger beroep zonder nieuwe rechtsvragen; de uitspraak is feitelijk van aard en heeft beperkte precedentwerking buiten vergelijkbare taxatiegeschillen.
Belangrijkste punten
- 1WOZ-waarde woning belastingjaar 2023 door rechtbank vastgesteld op € 1.743.000,- na vernietiging uitspraak op bezwaar
- 2Souterrain van 100 m² kwalificeert als volwaardige gebruiksoppervlakte vanwege daglichttoetreding via twee patio's en voldoende hoogte
- 3Vergelijkingsobjecten hadden een gemiddelde neutrale m²-prijs van € 7.919,- tegenover € 6.794,- voor de woning; verschil van € 284.625,- reeds verdisconteerd
- 4Beroep op HR-arrest 17 januari 2025 (correctiefactor art. 30a Wet WOZ) door rechtbank nog niet afgedaan; hoger beroep ingediend
- 5Heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding proceskosten (€ 1.875,76) en griffierecht (€ 51,-)
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak illustreert de toepassing van de vergelijkingsmethode bij WOZ-taxaties en de kwalificatiecriteria voor gebruiksoppervlakte (met name daglichttoetreding). De vraag over de correctiefactor ex art. 30a Wet WOZ in relatie tot HR 17 januari 2025 is nog open en zal in hoger beroep worden beantwoord.
Praktische impact
De woningeigenaar bereikt een lagere WOZ-waarde en daarmee een lagere aanslag onroerende zaakbelasting, maar zijn argument over het souterrain en de correctiefactor werd niet gehonoreerd; via hoger beroep tracht hij een verdere verlaging te bewerkstelligen.
Onderwerp-impact
Voor eigenaren van woningen met souterrains of vergelijkbare ruimten biedt deze uitspraak verduidelijking dat daglichttoetreding via patio's voldoende kan zijn voor kwalificatie als gebruiksoppervlakte, wat directe gevolgen heeft voor de WOZ-grondslag en daarmee samenhangende belastingen.
Samenvatting
In deze zaak betwistte een woningeigenaar de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning voor het belastingjaar 2023. De heffingsambtenaar had de waarde op een bepaald bedrag vastgesteld, maar handhaafde deze tijdens de beroepsprocedure niet langer, wat de rechtbank ertoe bracht de uitspraak op bezwaar te vernietigen en de WOZ-waarde zelf vast te stellen op € 1.743.000,-. De eigenaar voerde twee hoofdargumenten aan. Ten eerste stelde hij dat het souterrain van 100 m² niet als gebruiksoppervlakte gekwalificeerd mocht worden omdat het geen daglichttoetreding zou hebben. De heffingsambtenaar weerlegde dit met bouwtekeningen waaruit bleek dat via twee patio's wel degelijk daglicht binnentreedt en de hoogte ruimschoots voldoet. De rechtbank volgde de heffingsambtenaar op dit punt: het souterrain is volwaardige woonruimte en telt mee als gebruiksoppervlakte. Ten tweede beriep de eigenaar zich op het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, stellende dat sprake is van een bijzonder geval in de zin van artikel 30a, leden 1 en 2, van de Wet WOZ, zodat de correctiefactor achterwege zou moeten blijven. De rechtbank heeft dit argument niet volledig uitgewerkt in het gepubliceerde gedeelte van de uitspraak; de tekst breekt af juist waar de Hoge Raad-overweging wordt behandeld. Wat betreft de vergelijkingsmethode oordeelde de rechtbank dat de heffingsambtenaar voldoende rekening had gehouden met de verschillen tussen de woning en de gehanteerde vergelijkingsobjecten, waarbij een prijsverschil van € 1.125,- per m² (totaal € 284.625,-) reeds in de taxatie was verwerkt. De rechtbank kende de eigenaar proceskosten (€ 1.875,76) en griffierecht (€ 51,-) toe. Belanghebbende heeft tijdig hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Amsterdam, vermoedelijk met het oog op de nog onbeantwoorde correctiefactorvraag en een verdere verlaging van de WOZ-waarde.