30%-bewijsregel vervalt na overschrijding driemaandstermijn bij nieuwe werkgever
ECLI:NL:GHAMS:2026:1784, Gerechtshof Amsterdam, 21-04-2026, 25/846
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Voortzetting 30%-bewijsregel terecht afgewezen?
Kern van de zaak
Een werknemer (belanghebbende) verzocht samen met zijn nieuwe werkgever om voortzetting van de 30%-bewijsregel na een wisseling van werkgever. De tewerkstelling bij de vorige werkgever eindigde op 31 oktober 2022, maar de nieuwe arbeidsovereenkomst werd niet tijdig gesloten binnen de driemaandstermijn van artikel 10ed UBLB.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard; het Hof oordeelt dat de driemaandstermijn van artikel 10ed UBLB rechtsgeldig is en niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. De besluitgever is binnen zijn bevoegdheid gebleven door een vaste termijn te stellen als toetssteen voor de aanwezigheid van schaarse specifieke deskundigheid.
Impactscore
MiddelDe uitspraak bevestigt bestaande regelgeving en jurisprudentie (HR 2006) zonder nieuwe rechtsregels te stellen, maar heeft praktische relevantie voor een grote groep expats en internationale werkgevers die met de 30%-regeling werken.
Belangrijkste punten
- 1De driemaandstermijn van artikel 10ed UBLB dient ter rechtszekerheid: na overschrijding wordt aangenomen dat de vereiste schaarse specifieke deskundigheid niet langer aanwezig is.
- 2Het Hof acht de aan de termijn ten grondslag liggende aanname niet onredelijk, omdat een werknemer met schaarse deskundigheid sneller een nieuwe baan vindt.
- 3De ruwheid van de fatale termijn kan worden verzacht door gebruikmaking van de regeling voor vergoeding van extraterritoriale kosten buiten de 30%-bewijsregel (artikel 31a lid 2 sub e Wet LB).
- 4De besluitgever heeft met de driemaandstermijn niet gehandeld in strijd met het evenredigheidsbeginsel en is binnen de hem gegeven bevoegdheid (artikel 31a lid 8 Wet LB) gebleven.
- 5Vast staat dat de tewerkstelling bij de vorige werkgever eindigde op 31 oktober 2022 en dat de nieuwe arbeidsovereenkomst niet binnen drie maanden inging, waardoor voortzetting van de 30%-regeling niet mogelijk is.
Impactanalyse
Juridische impact
Het Hof bevestigt de houdbaarheid van de driemaandstermijn in artikel 10ed UBLB en wijst een beroep op het evenredigheidsbeginsel als grond voor afwijking af, waarmee de strenge termijnregel bij werkgeverswisseling wordt gehandhaafd. Dit biedt duidelijkheid over de grenzen van de 30%-bewijsregel bij baanwisseling.
Praktische impact
Werknemers die gebruik maken van de 30%-bewijsregel en van werkgever wisselen, moeten binnen drie maanden een nieuwe arbeidsovereenkomst laten ingaan om de regeling voort te kunnen zetten; overschrijding van deze termijn leidt onherroepelijk tot verlies van de fiscale faciliteit.
Onderwerp-impact
Voor multinationals en expat-werkgevers benadrukt deze uitspraak het belang van snelle contractuele afhandeling bij werkgeverswisseling om de 30%-regeling voor ingekomen werknemers te behouden; alternatief resteert slechts de minder gunstige kostenvergoedingsregeling voor extraterritoriale kosten.
Samenvatting
In deze hoger-beroepszaak voor het Gerechtshof Amsterdam stond de vraag centraal of de 30%-bewijsregel voor ingekomen werknemers kon worden voortgezet na een wisseling van werkgever, waarbij de driemaandstermijn van artikel 10ed van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (UBLB) was overschreden. De werknemer (belanghebbende) had zijn tewerkstelling bij de vorige werkgever beëindigd op 31 oktober 2022 en verzocht samen met zijn nieuwe werkgever om voortzetting van de fiscale faciliteit. Omdat de nieuwe arbeidsovereenkomst niet binnen drie maanden na het einde van de vorige tewerkstelling was ingegaan, stond vast dat de driemaandstermijn was overschreden. Het Hof oordeelde dat de driemaandstermijn rechtmatig is. De termijn is gebaseerd op de aanname dat een werknemer met schaarse specifieke deskundigheid – de voorwaarde voor toepassing van de 30%-regeling – vlotter een nieuwe dienstbetrekking vindt dan andere werknemers. Het Hof achtte deze aanname niet onredelijk. Door het stellen van een vaste termijn heeft de besluitgever rechtszekerheid gecreëerd. De inherente ruwheid van een dergelijke fatale termijn kan bovendien worden verzacht doordat werkgevers ook buiten de 30%-regeling een belastingvrije vergoeding kunnen geven voor werkelijke extraterritoriale kosten op grond van artikel 31a lid 2 sub e Wet LB. Het Hof concludeerde dat de besluitgever met het stellen van de driemaandstermijn binnen de hem krachtens artikel 31a lid 8 Wet LB toegekende regelgevende bevoegdheid is gebleven en niet in strijd heeft gehandeld met het evenredigheidsbeginsel. Het hoger beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard. Partijen kunnen binnen zes weken cassatie instellen bij de Hoge Raad.