Belastingkamer verwerpt lagere restwaarde dagverblijf in WOZ-zaak
ECLI:NL:GHAMS:2026:1774, Gerechtshof Amsterdam, 12-03-2026, 25/786
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)WOZ; gecorrigeerde vervangingswaarde; taxatiewijzer
Kern van de zaak
Een eigenaar van een dagverblijf (eiseres) betwistte de vastgestelde gecorrigeerde vervangingswaarde (GVW) in het kader van de WOZ-waardering. Zij stelde dat de restwaarde van ruwbouw, afbouw en installaties op 10% van de bruto vervangingswaarde moest worden gesteld, afwijkend van de gehanteerde richtlijnen. De heffingsambtenaar verweerde zich en handhaafde de hogere restwaarde conform de richtlijnen.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard; de rechtbank en het gerechtshof oordelen dat eiseres er niet in is geslaagd de door haar bepleite lagere restwaarde van 10% aannemelijk te maken. Het rapport van het door eiseres ingeschakelde onderzoeksbureau biedt onvoldoende inzicht in de totstandkoming van de lage restwaardepercentages, waardoor de bewijslast niet is ingelost.
Impactscore
LaagDe uitspraak is een bevestiging van een al gevestigde lijn in de rechtspraak en heeft geen nieuwe rechtsvragen beantwoord; de impact is beperkt tot eigenaren van dagverblijven in soortgelijke WOZ-geschillen.
Belangrijkste punten
- 1Wie de richtlijnen van de gehanteerde taxatierichtlijn als uitgangspunt neemt maar daarvan wil afwijken, draagt de bewijslast voor die afwijking.
- 2Eiseres accepteerde de richtlijnen grotendeels, maar betwistte uitsluitend de restwaarde; daarmee rust op haar de bewijslast voor de gestelde lagere restwaarde.
- 3Het rapport van onderzoeksbureau [bedrijf 2] leverde restwaardepercentages op van 0% tot 14,3%, gemiddeld 10%, maar de onderbouwing van deze percentages werd ook in eerdere rechtspraak al als onvoldoende beoordeeld.
- 4De rechter sluit aan bij vaste jurisprudentie dat de lage restwaardepercentages uit het rapport van [bedrijf 2] niet transparant tot stand zijn gekomen.
- 5De heffingsambtenaar droeg de bewijslast voor de verlengde levensduur van de ruwbouw; over dat onderdeel lijkt geen geschil te bestaan in dit stadium.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn in de rechtspraak dat een partij die van geaccepteerde taxatierichtlijnen wil afwijken een deugdelijke en transparante onderbouwing moet aanleveren, en dat rapporten van [bedrijf 2] over restwaarden van dagverblijven herhaaldelijk als onvoldoende worden beoordeeld.
Praktische impact
Eigenaren van dagverblijven die een lagere restwaarde willen bepleiten in WOZ-procedures, zullen met een kwalitatief betere en transparante onderbouwing moeten komen dan de in de praktijk veelgebruikte rapporten van dit onderzoeksbureau.
Onderwerp-impact
Voor de zorgsector (dagverblijven) betekent dit dat WOZ-waarderingen op basis van de gecorrigeerde vervangingswaarde lastig te betwisten zijn zolang er geen alternatieve, methodologisch solide onderzoeken voorhanden zijn.
Samenvatting
In deze WOZ-procedure stond de gecorrigeerde vervangingswaarde (GVW) van een dagverblijf centraal. Eiseres, de eigenaar van het pand, nam voor de waardering grotendeels de gehanteerde taxatierichtlijnen als uitgangspunt, maar betwistte de toegepaste restwaarde. Zij betoogde dat de restwaarde van zowel ruwbouw, afbouw als installaties op 10% van de bruto vervangingswaarde moest worden gesteld, in afwijking van de richtlijnen. Ter onderbouwing legde zij een rapport over van een gespecialiseerd onderzoeksbureau ([bedrijf 2]), dat op basis van vergelijkingstransacties tot restwaardepercentages van 0% tot 14,3% en een gemiddelde van 10% kwam. De centrale juridische vraag was of eiseres erin geslaagd was de door haar bepleite, lagere restwaarde aannemelijk te maken. Op grond van vaste Hoge Raad-rechtspraak rust de bewijslast voor een afwijking van de overeengekomen richtlijnen op de partij die die afwijking bepleit. Omdat eiseres de richtlijnen grotendeels accepteerde maar uitsluitend de restwaarde betwistte, lag deze bewijslast bij haar. Zowel de rechtbank als het gerechtshof Amsterdam oordeelden dat eiseres niet in deze bewijslast is geslaagd. Het rapport van het onderzoeksbureau bood onvoldoende inzicht in de wijze waarop de lage restwaardepercentages tot stand waren gekomen. De rechter verwees daarbij naar eerdere rechtspraak waarin hetzelfde rapport en dezelfde methode al meerdere malen als ontoereikend waren beoordeeld. Er bestond geen aanleiding om in dit geval anders te oordelen. De door eiseres bepleite restwaarde van 10% werd dan ook niet aannemelijk geacht, en de WOZ-waarde bleef in stand. De uitspraak bevestigt een vaste jurisprudentiële lijn en heeft vooral praktische betekenis voor eigenaren van vergelijkbare zorginstellingen.