JurispRadar
ECLI:NL:GHAMS:2026:1767Middel38/100

Omzetbelasting bij invoer terecht geheven via douane-UTB

ECLI:NL:GHAMS:2026:1767, Gerechtshof Amsterdam, 26-03-2026, 25/46 en 25/54

Gerechtshof AmsterdamUitspraak: 26 maart 2026Publicatie: 3 juli 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:25/46 en 25/54
Bestuursrecht
Belastingrecht
Transport
Financiele Dienstverlening
Vergunningen
Handhaving
Omzetbelasting Invoer
Artikel 23 Wet Ob
Uitnodiging Tot Betaling
Douanerecht
Verleggingsregeling

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Omzetbelasting ter zake van invoer; rente op achterstallen; directe vertegenwoordiging; neutraliteitsbeginsel; rechtszekerheidsbeginsel; zorgvuldigheidsbeginsel

Kern van de zaak

Een ondernemer (belanghebbende) heeft bij invoer van goederen ten onrechte gebruik gemaakt van de verlengde heffing ex artikel 23 Wet OB, terwijl de goederen niet voor haar bestemd waren. De douane heeft daarop uitnodigingen tot betaling (UTB's) uitgerikt. Belanghebbende vecht deze heffing aan bij het Gerechtshof Amsterdam.

Beslissing van de rechter

Het Gerechtshof Amsterdam wijst het beroep van belanghebbende af en bevestigt dat de omzetbelasting bij invoer terecht via UTB's is geheven. De doorslaggevende reden is dat artikel 23 Wet OB slechts van toepassing is indien de goederen bestemd zijn voor de aangewezen ondernemer, waaraan in dit geval niet was voldaan, zodat de reguliere heffing via het douanerecht (artikel 22 Wet OB) gold.

38van 100

Impactscore

Middel

De uitspraak bevestigt bestaand recht en gangbare praktijk rondom artikel 22 en 23 Wet OB, maar heeft praktische relevantie voor importeurs en douanepraktijk door de heldere uitleg van de cumulatieve voorwaarden en de afwijzing van het neutraliteitsbeginsel-verweer.

Belangrijkste punten

  • 1Artikel 23 Wet OB (verlegging omzetbelasting bij invoer) vereist cumulatief: (1) een aanwijzing én (2) bestemming van de goederen voor de aangewezen ondernemer.
  • 2Bij niet-voldoen aan deze cumulatieve voorwaarden geldt artikel 22 Wet OB: heffing door de douane via UTB aan de douaneschuldenaar.
  • 3Ten onrechte aangegeven en in aftrek gebrachte omzetbelasting op de binnenlandse aangifte sluit correcte heffing via UTB niet uit.
  • 4Op grond van artikel 19 lid 1 tweede alinea DWU wordt belanghebbende als aangever (en schuldenaar) aangemerkt omdat zij niet heeft verklaard als douanevertegenwoordiger te handelen.
  • 5Het beroep op het neutraliteitsbeginsel (verbod van dubbele heffing) wordt verworpen; het Hof verwerpt de stelling dat uitreiking van UTB's tot dubbele heffing leidt.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak verduidelijkt de strikte cumulatieve voorwaarden voor toepassing van artikel 23 Wet OB en bevestigt dat onjuist gebruik van de verlengde heffing achteraf kan worden gecorrigeerd via UTB's op grond van het douanerecht.

Praktische impact

Ondernemers die bij invoer de verlengde heffing (artikel 23 Wet OB) toepassen terwijl de goederen niet voor hen bestemd zijn, lopen het risico op naheffing via UTB's van de douane, bovenop reeds ingediende btw-aangiften.

Onderwerp-impact

Voor importeurs en douane-expediteurs benadrukt deze uitspraak het belang van correcte toepassing van de verleggingsregeling bij invoer en het risico van eigen-naam-handelen zonder expliciete vermelding van douanevertegenwoordiging.

Samenvatting

Dit hoger beroep bij het Gerechtshof Amsterdam betreft de vraag of omzetbelasting bij invoer terecht is geheven via uitnodigingen tot betaling (UTB's) door de douane, nadat de importerende ondernemer (belanghebbende) de verschuldigde omzetbelasting ten onrechte had verwerkt via de verlengde heffingsregeling van artikel 23 Wet OB. Artikel 23 Wet OB maakt het mogelijk dat omzetbelasting bij invoer niet door de douane maar via de binnenlandse btw-aangifte van de ondernemer wordt geheven ('verlegging'). Dit is echter uitsluitend mogelijk als aan twee cumulatieve voorwaarden is voldaan: de ondernemer moet beschikken over een artikel 23-aanwijzing én de ingevoerde goederen moeten bestemd zijn voor die aangewezen ondernemer. In het onderhavige geval waren de goederen niet bestemd voor belanghebbende, waardoor artikel 23 Wet OB toepassing miste en de gewone regeling van artikel 22 Wet OB — heffing door de douane via UTB — van toepassing was. Het Hof overweegt dat de omstandigheid dat belanghebbende de btw reeds (ten onrechte) op haar aangifte had vermeld en direct in aftrek had gebracht, niet eraan in de weg staat dat alsnog op de juiste wijze wordt geheven. Voorts wordt belanghebbende op grond van artikel 19 lid 1 tweede alinea van het Douanewetboek van de Unie terecht aangemerkt als aangever en daarmee als douaneschuldenaar, nu zij niet heeft verklaard als douanevertegenwoordiger te handelen. Het beroep op het neutraliteitsbeginsel — inhoudende dat de UTB's tot dubbele heffing zouden leiden — wordt eveneens verworpen. Het Hof bevestigt de uitspraken van de rechtbank en wijst het hoger beroep van belanghebbende af. De uitspraak onderstreept het belang van correcte toepassing van de verleggingsregeling bij invoer en de risico's van onterecht gebruik van artikel 23 Wet OB.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 10 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak
38van 100
MiddelLees toelichting ↓

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:HR:2026:1275Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1275, Hoge Raad, 10-07-2026, 26/01234

Hoge Raad10 jul 2026OverheidArbeidsrelaties
28/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1245Richtinggevend
Bestuursrecht
Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1245, Hoge Raad, 10-07-2026, 25/00155

Hoge Raad10 jul 2026OverheidHandhaving
72/100Bekijk
ECLI:NL:GHSHE:2026:1447Laag
Bestuursrecht
Belastingrecht

ECLI:NL:GHSHE:2026:1447, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 03-06-2026, 24/867

Gerechtshof 's-Hertogenbosch3 jun 2026VastgoedOverheid
15/100Bekijk
ECLI:NL:CRVB:2026:588Laag
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht

ECLI:NL:CRVB:2026:588, Centrale Raad van Beroep, 13-05-2026, 25/519 WAJONG

Centrale Raad van Beroep13 mei 2026ZorgOverheid
28/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied