Douane-utb's deels vernietigd wegens gebrekkige kennisgeving monsterneming
ECLI:NL:GHAMS:2026:1765, Gerechtshof Amsterdam, 19-01-2026, 24/3524 en 24/3525
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Douanerecht. De inspecteur heeft niet voldaan aan op hem rustende bewijslast dat hij de aangever in kennis heeft gesteld van zijn voornemen tot monsterneming.
Kern van de zaak
Een importeur (eiseres) betwist meerdere uitnodigingen tot betaling (utb's) van de Douane op grond dat zij niet vooraf in kennis is gesteld van de monsterneming van haar goederen, zoals vereist onder het Douanewetboek van de Unie. De zaak betreft de juistheid van de gehanteerde goederencodes na fysieke controle en monsterneming.
Beslissing van de rechter
Het Gerechtshof Amsterdam behandelt hoger beroep tegen een rechtbankuitspraak waarbij een deel van de beroepen ongegrond werd verklaard en een deel gegrond (zaak HAA 23/3003), met vernietiging van drie uitspraken op bezwaar en vermindering van de desbetreffende utb's. De doorslaggevende reden is dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres conform artikel 240 UVo.DWU tijdig in kennis is gesteld van de monsterneming.
Impactscore
MiddelDe uitspraak heeft praktische relevantie voor de douanepraktijk rond kennisgevingsverplichtingen, maar betreft een toepassing van bestaande regelgeving op casusniveau zonder fundamentele nieuwe rechtsregels; de tekst is bovendien onvolledig.
Belangrijkste punten
- 1Op grond van artikel 188 en 240 DWU/UVo.DWU moet de aangever vooraf in kennis worden gesteld van monsterneming; de bewijslast hiervoor rust op de Douane.
- 2Verweerder beroept zich op het elektronisch berichtenverkeer AGS (DMSCTL-code) als bewijs van kennisgeving, maar dit volstaat niet automatisch als bewijs van kennisgeving van monsterneming.
- 3De rechtbank verklaarde de beroepen HAA 22/3812, HAA 22/3813 en HAA 22/3814 ongegrond, maar verklaarde HAA 23/3003 gegrond en vernietigde drie uitspraken op bezwaar.
- 4Diverse utb's zijn verminderd na gegrondverklaring, wat duidt op onjuiste goederencodering of procedurele gebreken bij de controle.
- 5De uitspraak is slechts gedeeltelijk beschikbaar; de volledige motivering van het Hof ontbreekt in de aangeleverde tekst.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat de Douane de bewijslast draagt voor tijdige kennisgeving van monsterneming en dat een DMSCTL-bericht over fysieke controle niet automatisch gelijkstaat aan kennisgeving van monsterneming als bedoeld in artikel 240 UVo.DWU.
Praktische impact
Importeurs en douanevertegenwoordigers die niet aantoonbaar zijn geïnformeerd over monsterneming kunnen met succes utb's aanvechten; de Douane dient haar kennisgevingsprocedure zorgvuldiger te documenteren.
Onderwerp-impact
In de transport- en logistieke sector vergroot deze uitspraak de rechtsbescherming van importeurs bij douanecontroles en onderstreept zij het belang van correcte procedurele naleving bij monsterneming.
Samenvatting
In deze zaak voor het Gerechtshof Amsterdam staat centraal of de Douane eiseres – een importeur – vooraf correct in kennis heeft gesteld van de monsterneming van ingevoerde goederen, zoals vereist op grond van artikel 240 van de Uitvoeringsverordening bij het Douanewetboek van de Unie (UVo.DWU). De Douane legde meerdere uitnodigingen tot betaling (utb's) op na fysieke controle en monsterneming van de goederen, waarbij de goederencodes ter discussie staan. Eiseres betwist in alle zaken te zijn geïnformeerd over de voorgenomen monsterneming, hetgeen een procedureel recht is dat de aangever op grond van artikel 189 DWU toekomt. De bewijslast dat deze kennisgeving wél heeft plaatsgevonden, rust op verweerder (de Douane). Verweerder beroept zich op het elektronisch berichtenverkeer via het AGS-systeem, meer specifiek op het verzenden van een DMSCTL-bericht als bewijs van kennisgeving van de fysieke controle, en stelt dat monsterneming doorgaans tegelijk plaatsvindt. De rechtbank oordeelde wisselend: een deel van de beroepen werd ongegrond verklaard, maar in drie zaken werden de uitspraken op bezwaar vernietigd en de desbetreffende utb's verminderd, omdat onvoldoende aannemelijk was gemaakt dat aan de kennisgevingsplicht was voldaan. Het Gerechtshof Amsterdam behandelt het hoger beroep tegen deze uitspraak. Op basis van de beschikbare tekst – die onvolledig is – kan worden vastgesteld dat het Hof de lijn bevestigt dat een bericht over een fysieke controle niet zonder meer gelijkgesteld kan worden aan een kennisgeving van monsterneming. Deze uitspraak is relevant voor de douanepraktijk: zij benadrukt dat de Douane haar kennisgevingsverplichtingen aantoonbaar moet nakomen en dat importeurs bij gebreke daarvan met succes opgelegd kunnen laten herzien.