Hogere proceskostenvergoeding toegekend in WOZ-bezwaarzaken
ECLI:NL:GHAMS:2026:1333, Gerechtshof Amsterdam, 14-04-2026, 24/3866 tot en met 24/3867
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)proceskostenvergoeding; bijzondere omstandigheden; kennelijke fout
Kern van de zaak
Belanghebbende procedeert in hoger beroep over de hoogte van de proceskostenvergoeding in zeven samenhangende WOZ-zaken. De rechtbank had geen half punt toegekend voor schriftelijke inlichtingen verstrekt op verzoek van de rechtbank (art. 8:45 Awb). Daarnaast hanteerde de rechtbank een onjuist puntentarief voor de bezwaarfase.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is gegrond verklaard: het Hof kent alsnog een half punt toe voor de schriftelijke inlichtingen en stelt de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase vast op € 1.751,25 voor zeven zaken gezamenlijk. Voor de hoger beroepsfase wordt echter geen proceskostenvergoeding toegekend, omdat het inschakelen van beroepsmatige rechtsbijstand hiervoor onder de omstandigheden niet redelijk werd geacht.
Impactscore
LaagDe uitspraak betreft een procedurele correctie op de proceskostenvergoeding in een WOZ-zaak en heeft beperkte precedentwerking buiten vergelijkbare kostenvergoedinggschillen. De financiële belangen per zaak zijn gering.
Belangrijkste punten
- 1Een reactie op een art. 8:45 Awb-verzoek om inlichtingen levert een half punt op in het kader van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
- 2Het tarief voor de bezwaarfase bedraagt € 624 per punt (niet € 310 zoals de rechtbank toepaste), wat leidt tot een nabetaling van € 628.
- 3Bij zeven samenhangende zaken geldt een wegingsfactor 1,5 (samenhangende zaken) en factor 0,5 (geringe zwaarte), met het 2026-tarief van € 934.
- 4Het Hof past de 'bijzondere omstandigheden'-clausule van art. 2 lid 3 Besluit toe en weigert proceskostenvergoeding voor de hoger beroepsfase.
- 5De heffingsambtenaar heeft het standpunt van belanghebbende over het extra half punt uitdrukkelijk onderschreven.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt dat een schriftelijke reactie op een art. 8:45 Awb-inlichtingenverzoek processueel wordt gekwalificeerd als een vergoedbare proceshandeling (0,5 punt). Tevens bevestigt het Hof de correcte toepassing van het puntentarief voor de bezwaarfase.
Praktische impact
Belastingplichtigen en hun gemachtigden in WOZ-procedures kunnen aanspraak maken op een hoger proceskostenbedrag wanneer zij op verzoek van de rechter schriftelijke inlichtingen verstrekken. De heffingsambtenaar dient in dit geval € 628 bij te betalen en het griffierecht van € 102 te vergoeden.
Onderwerp-impact
In WOZ-massabezwaarpraktijken, waar samenhangende zaken veelvuldig voorkomen, kan de juiste puntentoekenning per zaak en de toepassing van het juiste tarief leiden tot substantieel hogere kostenvergoedingen voor gemachtigden.
Samenvatting
In deze hoger beroepsprocedure voor het Gerechtshof Amsterdam stond de hoogte van de proceskostenvergoeding centraal in zeven samenhangende WOZ-zaken. De rechtbank had bij het berekenen van de vergoeding voor de beroepsfase twee punten toegekend: één voor het beroepschrift en één voor de zitting. Zij had echter geen half punt opgenomen voor de schriftelijke inlichtingen die belanghebbende op 2 augustus 2024 had verstrekt in reactie op een verzoek van de rechtbank op grond van artikel 8:45 Awb. Belanghebbende betoogde in hoger beroep dat dit punt ten onrechte was weggelaten. De heffingsambtenaar sloot zich bij dit standpunt aan. Het Hof heeft de grief gehonoreerd. Op grond van bijlage A1 bij het Besluit proceskosten bestuursrecht levert het verstrekken van schriftelijke inlichtingen op verzoek van de rechter een half punt op. Het Hof heeft de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase herberekend op € 1.751,25 voor alle zeven zaken gezamenlijk (2,5 punten × € 934 × factor 0,5 × factor 1,5), ofwel € 250,18 per zaak. Daarnaast had de rechtbank in de bezwaarfase een onjuist puntentarief van € 310 gehanteerd, terwijl het correcte tarief € 624 bedraagt. Dit leidde tot een aanvullende betaling van € 628 door de heffingsambtenaar, alsmede vergoeding van het griffierecht van € 102. Voor de behandeling van het hoger beroep zelf kent het Hof geen proceskostenvergoeding toe. Het Hof overweegt dat het inschakelen van beroepsmatige rechtsbijstand voor deze hoger beroepsprocedure – gelet op de aard van de misslag van de rechtbank – niet redelijk was, en past daartoe de bijzondere omstandighedenclausule van artikel 2 lid 3 van het Besluit toe. De uitspraak van de rechtbank wordt gedeeltelijk vernietigd en vervangen door die van het Hof.