JurispRadar
ECLI:NL:GHAMS:2026:1331Laag22/100

Hof veroordeelt vrouw voor diefstal ruim 136.000 euro

ECLI:NL:GHAMS:2026:1331, Gerechtshof Amsterdam, 12-05-2026, 23-002039-23

Gerechtshof AmsterdamUitspraak: 12 mei 2026Publicatie: 12 mei 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:23-002039-23
Strafrecht
Materieel strafrecht
Strafprocesrecht
Financiele Dienstverlening
Aansprakelijkheid
Diefstal
Hoger Beroep
Bewijsvoering
Verduistering
Subsidiaire Tenlastelegging
Bankvolmacht
Gevangenisstraf

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Diefstal

Kern van de zaak

Een vrouw werd door de politierechter veroordeeld voor verduistering van ruim €136.852 van een benadeelde partij in de periode januari tot juni 2020 te Purmerend. Zij had als (partner van de) gemachtigde toegang tot de bankrekening van het slachtoffer. De verdachte stelde hoger beroep in tegen het vonnis.

Beslissing van de rechter

Het hof vernietigt het vonnis van de politierechter en spreekt de verdachte vrij van het primair tenlastegelegde (verduistering), maar veroordeelt haar wel voor het subsidiair tenlastegelegde (diefstal van €136.852,67). De doorslaggevende reden is dat niet bewezen kon worden dat verdachte het geld 'anders dan door misdrijf' onder zich had – een vereiste voor verduistering – maar dat wel bewezen is dat zij het heeft weggenomen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. De straf is vastgesteld op 7 maanden gevangenisstraf.

22van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een feitelijke strafzaak zonder precedentwerking op rechtsniveau; de uitkomst is zaakspecifiek en de juridische vraag (onderscheid verduistering/diefstal) is reeds uitgekristalliseerd in de rechtspraak.

Belangrijkste punten

  • 1Vrijspraak voor verduistering (primair): niet bewezen dat verdachte het geld anders dan door misdrijf onder zich had
  • 2Veroordeling voor diefstal (subsidiair): bewezen dat verdachte €136.852,67 heeft weggenomen met oogmerk tot wederrechtelijke toe-eigening
  • 3Verdachte had als (partner van de) gemachtigde toegang tot de bankrekening van het slachtoffer
  • 4Het hof legt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op van 7 maanden
  • 5Het onderscheid verduistering/diefstal is hier juridisch cruciaal: de wijze waarop het goed onder de verdachte is gekomen bepaalt de kwalificatie

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak illustreert het belang van het juridische onderscheid tussen verduistering (art. 321 Sr) en diefstal (art. 310 Sr): de bewijslast rondom de wijze van verkrijging is doorslaggevend voor de kwalificatie. Bij twijfel over de rechtmatige verkrijging van het goed valt de kwalificatie terug op diefstal.

Praktische impact

De verdachte wordt veroordeeld tot 7 maanden gevangenisstraf in plaats van een eventuele vrijspraak; het slachtoffer ziet de dader veroordeeld, maar de kwalificatiewijziging kan gevolgen hebben voor de civiele vordering en de mogelijkheden tot schadevergoeding.

Onderwerp-impact

De zaak benadrukt de risico's van het verlenen van bankvolmachten aan derden: misbruik van toegang tot bankrekeningen kan ook bij ontbreken van bewijs van een rechtsgeldig beheer worden vervolgd als diefstal.

Samenvatting

In deze strafzaak voor het Gerechtshof Amsterdam stond een vrouw terecht die ervan werd beschuldigd tussen januari en juni 2020 in Purmerend een bedrag van ruim €136.852 te hebben ontvreemd van een benadeelde partij. De verdachte had als partner van de gemachtigde toegang tot de bankrekening van het slachtoffer. De politierechter in de rechtbank Noord-Holland had haar in februari 2023 veroordeeld, waarna de verdachte hoger beroep instelde. De centrale juridische vraag was of de verdachte zich schuldig had gemaakt aan verduistering (primair) dan wel diefstal (subsidiair). Voor verduistering is vereist dat de dader een goed 'anders dan door misdrijf' onder zich heeft – met andere woorden: dat hij of zij het goed rechtmatig in bezit had verkregen voordat het werd toegeëigend. Het hof oordeelde dat dit element niet bewezen kon worden en sprak de verdachte vrij van verduistering. Wel achtte het hof bewezen dat de verdachte het geldbedrag heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, hetgeen de delictsomschrijving van diefstal (art. 310 Sr) oplevert. Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en deed opnieuw recht: de verdachte werd veroordeeld voor diefstal tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeven maanden. Deze zaak laat zien hoe het onderscheid tussen verduistering en diefstal in de praktijk van groot belang is, ook wanneer de feitelijke gedraging – het onrechtmatig onttrekken van geld aan een bankrekening – materieel vergelijkbaar is. De kwalificatie hangt af van de wijze waarop de dader de beschikking over het goed heeft verkregen, en daarin lag in deze zaak de sleutel tot de uiteindelijke beslissing.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 19 mei 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Strafrecht

ECLI:NL:HR:2026:762Laag
Strafrecht
Strafprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:762, Hoge Raad, 19-05-2026, 23/03823

Hoge Raad19 mei 2026Overheid
22/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:759Laag
Strafrecht
Mensenrechten

ECLI:NL:HR:2026:759, Hoge Raad, 19-05-2026, 24/00563

Hoge Raad19 mei 2026HandhavingSchadevergoeding
22/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:760Laag
Strafrecht
Strafprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:760, Hoge Raad, 19-05-2026, 24/00562

Hoge Raad19 mei 2026Overheid
8/100Bekijk
ECLI:NL:RBAMS:2026:4756Laag
Strafrecht
Materieel strafrecht

ECLI:NL:RBAMS:2026:4756, Rechtbank Amsterdam, 18-05-2026, 13/166895-25

Rechtbank Amsterdam18 mei 2026OverheidAansprakelijkheid
22/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied