Ondernemingskamer behandelt enquêteverzoek tegen OCI N.V.
ECLI:NL:GHAMS:2026:118, Gerechtshof Amsterdam, 19-01-2026, 200.363.194/01 OK
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Ondernemingskamer; enquêterecht; uitsluitend behandeling verzoek tot treffen onmiddellijke voorzieningen; onmiddellijke voorzieningen getroffen; benoeming bestuurders.
Kern van de zaak
De Vereniging van Effectenbezitters (VEB) en medeverzoekers, waaronder The Oceanwood Fund en diverse BV's, hebben een verzoekschrift ingediend bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam tegen OCI N.V. De zaak betreft een enquêteprocedure waarbij aandeelhouders onderzoek vragen naar het beleid en de gang van zaken bij OCI N.V. OCI heeft bezwaar gemaakt tegen een correctie van de naam van een van de verzoekers.
Beslissing van de rechter
De beschikking betreft een tussenbeslissing in de enquêteprocedure; de Ondernemingskamer behandelt onder meer het bezwaar van OCI tegen de naamswijziging van verzoeker 2 van Ocean Wood Capital Management LLP naar The Oceanwood Fund. De uitkomst van de volledige beslissing op het enquêteverzoek is op basis van de beschikbare tekst niet volledig kenbaar, omdat de tekst onvolledig is aangeleverd.
Impactscore
MiddelDe zaak betreft een enquêteprocedure bij een beursgenoteerde onderneming (OCI N.V.) met maatschappelijke bekendheid, maar de beschikbare tekst is onvolledig en de definitieve beslissing is niet kenbaar, wat de impactbeoordeling beperkt.
Belangrijkste punten
- 1VEB c.s. hebben een enquêteverzoek ingediend bij de Ondernemingskamer tegen OCI N.V.
- 2Verzoeker 2 is bij akte gecorrigeerd van Ocean Wood Capital Management LLP naar The Oceanwood Fund; OCI betwist dit omdat het twee verschillende entiteiten betreft.
- 3OCI N.V. en vijf onafhankelijke bestuurders zijn als verweerster respectievelijk belanghebbenden in de procedure betrokken.
- 4De Ondernemingskamer behandelt de ontvankelijkheid en de formele gebreken in het verzoekschrift voorafgaand aan een inhoudelijke beoordeling.
- 5De beschikking is onvolledig overgeleverd, waardoor de definitieve beslissing over het enquêteverzoek niet volledig kan worden vastgesteld.
Impactanalyse
Juridische impact
De zaak raakt het enquêterecht (artikel 2:345 e.v. BW) en de vraag in hoeverre een naamswijziging van een procespartij bij akte toelaatbaar is zonder dat sprake is van vervanging door een andere rechtspersoon. De uitkomst kan precedentwerking hebben voor de wijze waarop de Ondernemingskamer omgaat met formele gebreken in enquêteverzoeken.
Praktische impact
Voor aandeelhouders van OCI N.V. is relevant of de enquêteprocedure inhoudelijk wordt voortgezet en of een onderzoeker wordt benoemd; voor OCI N.V. bepaalt de uitkomst of extern onderzoek naar haar beleid wordt gelast.
Onderwerp-impact
Voor de financiële sector en beursgenoteerde ondernemingen bevestigt deze zaak dat de Ondernemingskamer streng toetst op de identiteit van procespartijen in enquêteprocedures, wat gevolgen kan hebben voor activistische aandeelhouders die via fondsen procederen.
Samenvatting
In deze procedure bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam hebben de Vereniging van Effectenbezitters (VEB) en een aantal medeverzoekers — waaronder The Oceanwood Fund, Erth to Live B.V., Dijapo Pensioen B.V. en Via Arriba Holding B.V. — een enquêteverzoek ingediend tegen OCI N.V., een beursgenoteerde naamloze vennootschap gevestigd te Amsterdam. Naast OCI N.V. zijn vijf onafhankelijke bestuurders als belanghebbenden in de procedure betrokken. Een eerste procedureel geschilpunt dat de Ondernemingskamer moest beoordelen, betreft de identiteit van verzoeker 2. In het oorspronkelijke verzoekschrift was als verzoeker 2 opgenomen: Ocean Wood Capital Management LLP, gevestigd te Leatherhead, Surrey, Verenigd Koninkrijk. Bij een latere 'akte correctie aanduiding' hebben VEB c.s. deze naam gewijzigd naar The Oceanwood Fund, gevestigd te George Town, Grand Cayman, Kaaimaneilanden. OCI heeft hiertegen bezwaar gemaakt met het argument dat het om twee juridisch geheel verschillende entiteiten gaat, zodat de 'correctie' in feite een vervanging van een procespartij inhoudt. Dit raakt de ontvankelijkheidsvraag en de vraag wie rechtsgeldig als verzoeker in de enquêteprocedure kan optreden. De beschikbare tekst van de beschikking is onvolledig, waardoor de definitieve beslissing van de Ondernemingskamer op het enquêteverzoek — waaronder de vraag of een onderzoek wordt bevolen — niet volledig kan worden vastgesteld. Wel is duidelijk dat de Ondernemingskamer de formele bezwaren van OCI inhoudelijk behandelt alvorens toe te komen aan de materiële beoordeling. De zaak illustreert het belang van een correcte aanduiding van procespartijen in enquêteprocedures en de grenzen van herstel van formele gebreken na indiening van het verzoekschrift.