Hof: Fonds kwalificeert niet als open fonds voor gemene rekening
ECLI:NL:GHSHE:2026:1129, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 29-04-2026, 24/820
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Artikel 2, lid 1, letter f, en artikel 2, lid 4, Wet Vpb 1969 (tekst 2022). Fonds voor gemene rekening. Voor de toetreding van een participant en de bijbehorende overdracht van participaties, dient – bij afwezigheid van uitgegeven waardepapieren of een participantenregister – de fondsovereenkomst te worden gewijzigd, waarvoor toestemming van alle participanten is vereist. Geen ‘open’ fonds voor gemene rekening. Ingebracht vermogen behoort tot box 3-grondslag.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige (belanghebbende) en zijn echtgenote participeren in een fonds. De inspecteur en belanghebbende verschillen van mening over de kwalificatie van het fonds als open fonds voor gemene rekening. De zaak draait om de vraag of de bewijzen van deelgerechtigdheid vrij verhandelbaar zijn, wat een vereiste is voor die kwalificatie.
Beslissing van de rechter
Het hof verklaart het hoger beroep van de inspecteur gegrond en het incidentele hoger beroep van belanghebbende ongegrond, waarmee de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep van belanghebbende ongegrond wordt verklaard. Doorslaggevend is dat er geen waardepapieren of participantenregister zijn uitgegeven en dat overdracht van participaties contractuele wijziging met meerderheidstoestemming vereist, waardoor vrije verhandelbaarheid ontbreekt.
Impactscore
MiddelDe uitspraak past bestaande criteria toe op de specifieke feiten van dit fonds en heeft praktische relevantie voor fondsstructurering, maar stelt geen nieuwe rechtsregels vast en betreft een gerechtshof in hoger beroep.
Belangrijkste punten
- 1Vrije verhandelbaarheid van bewijzen van deelgerechtigdheid vereist een materiële toets; contractuele bepalingen zijn op zichzelf niet beslissend.
- 2Het fonds heeft geen (toonder)certificaten of vergelijkbare waardepapieren uitgegeven die deelgerechtigdheid bewijzen.
- 3In strijd met de eigen overeenkomst is geen participantenregister bijgehouden; een contractuele bepaling die initiële houders noemt is daarmee niet gelijkgesteld.
- 4Overdracht van participaties vereist wijziging van de overeenkomst met een geldig besluit van meer dan de helft der participaties, hetgeen vrije overdraagbaarheid belemmert.
- 5Het hof vernietigt de rechtbankuitspraak en verklaart het beroep van belanghebbende ongegrond, in het voordeel van de inspecteur.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt dat voor kwalificatie als open fonds voor gemene rekening een materiële toets op vrije verhandelbaarheid geldt en dat het ontbreken van waardepapieren én een participantenregister, gecombineerd met een contractueel vereiste meerderheidstoestemming bij overdracht, aan die kwalificatie in de weg staat.
Praktische impact
Fondsbeheerders en participanten die willen dat hun fonds als open fonds voor gemene rekening kwalificeert, dienen te zorgen voor daadwerkelijk uitgereikte bewijzen van deelgerechtigdheid en een bijgehouden participantenregister, alsmede voor overdraagbaarheid zonder zwaarwegende contractuele belemmeringen.
Onderwerp-impact
Voor de structurering van beleggingsfondsen in de fiscale praktijk benadrukt deze uitspraak dat papieren of registerbewijzen en onbelemmerde overdraagbaarheid concrete vereisten zijn, niet slechts formele formaliteiten.
Samenvatting
In deze belastingzaak voor het Gerechtshof 's-Hertogenbosch stond centraal of een fonds waarin belanghebbende en zijn echtgenote participeerden, kwalificeert als een open fonds voor gemene rekening in de zin van de belastingwetgeving. Voor die kwalificatie is onder meer vereist dat de bewijzen van deelgerechtigdheid vrij verhandelbaar zijn. De inspecteur stelde dat hiervan geen sprake was; de rechtbank had aanvankelijk anders geoordeeld, hetgeen de inspecteur in hoger beroep aanvocht. Het hof stelt voorop dat de vrije verhandelbaarheid moet worden beoordeeld aan de hand van een materiële toets, waarbij contractuele bepalingen weliswaar belangrijke aanwijzingen kunnen bieden, maar niet op zichzelf beslissend zijn. Tevens moet de deelgerechtigdheid blijken uit een waardepapier of een participantenregister. In casu ontbraken beide: er waren geen (toonder)certificaten of vergelijkbare waardepapieren uitgegeven, en — in afwijking van de eigen overeenkomst — was geen participantenregister bijgehouden. De stelling van belanghebbende dat de contractuele bepaling die de initiële houders van de participaties noemt als equivalent kan gelden voor een participantenregister, verwierp het hof: een dergelijke bepaling is niet gelijk te stellen aan een door de bewaarder of beheerder te administreren register. Bovendien vereist toetreding van nieuwe participanten een wijziging van de overeenkomst waarvoor een geldig besluit nodig is met een meerderheid van meer dan de helft van het aantal geplaatste participaties. Dit meerderheidsquorum vormt een wezenlijke belemmering voor vrije overdraagbaarheid. Op grond van deze overwegingen verklaart het hof het hoger beroep van de inspecteur gegrond, het incidentele hoger beroep van belanghebbende ongegrond, vernietigt het de uitspraak van de rechtbank en verklaart het het beroep van belanghebbende ongegrond. De uitspraak bevestigt dat fondsstructuren aan concrete formele én materiële vereisten moeten voldoen om als open fonds voor gemene rekening te kwalificeren.