Schoolleider verliest zaak over professionaliseringsbudget en accreditatie
ECLI:NL:GHAMS:2026:1138, Gerechtshof Amsterdam, 14-04-2026, 200.354.344
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)AVG. Verzoek van schoolleider om verwijdering persoonsgegevens uit het Schoolleidersregister Primair Onderwijs. Onrechtmatige verwerking? Gerechtvaardigd belang, verwerking noodzakelijk en evenredig.
Kern van de zaak
Een schoolleider (appellant) vordert iets van het Schoolleidersregister PO (geïntimeerde) in verband met de erkenning of accreditatie van door haar gevolgde professionaliseringsopleidingen. De appellant noch haar werkgever had ooit een accreditatieverzoek ingediend bij het register.
Beslissing van de rechter
Het hof wijst de vordering van appellant af. De doorslaggevende reden is dat appellant zelf nooit een accreditatieverzoek heeft ingediend bij het Schoolleidersregister PO, terwijl daartoe een toegankelijke procedure beschikbaar was en geïntimeerde heeft verklaard dergelijke verzoeken in onderling overleg doorgaans te honoreren.
Impactscore
LaagHet betreft een feitelijk sterk casuïstische beslissing van een hof op basis van onbenutte interne rechtsgangen; er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord en de uitspraak heeft beperkte precedentwerking buiten de directe partijen.
Belangrijkste punten
- 1Appellant noch haar werkgever deed een poging de gevolgde opleidingen te laten accrediteren via het Registerreglement
- 2Op grond van artikel 10 en 11 van het Registerreglement staan bezwaar en administratief beroep open tegen een afwijzende accreditatiebeslissing
- 3Het Schoolleidersregister PO honoreert accreditatieverzoeken in onderling overleg doorgaans
- 4De professionaliseringsplicht voor schoolleiders in het primair onderwijs is gebaseerd op CAO PO 2024-2025 (art. 9.7) en rijksbekostiging van € 29,5 miljoen per jaar
- 5Appellant heeft de stelling van geïntimeerde over het accreditatiebeleid niet (gemotiveerd) betwist
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat een partij eerst de beschikbare interne rechtsgang (accreditatieprocedure + bezwaar/beroep) moet benutten voordat de rechter aan een inhoudelijke beoordeling toekomt. Dit sluit aan bij het beginsel van processuele subsidiariteit.
Praktische impact
Schoolleiders en hun werkgevers dienen proactief accreditatieverzoeken in te dienen bij het Schoolleidersregister PO als zij erkenning willen voor gevolgde opleidingen; het nalaten daarvan staat aan een gerechtelijke vordering in de weg.
Onderwerp-impact
Voor de onderwijssector benadrukt de uitspraak het belang van naleving van de accreditatieprocedures onder het Registerreglement en de CAO PO bij professionaliseringsverplichtingen van schoolleiders.
Samenvatting
In deze hoger-beroepszaak bij het Gerechtshof Amsterdam stond centraal of het Schoolleidersregister PO (geïntimeerde) onrechtmatig of toerekenbaar tekort was geschoten jegens een schoolleider in het primair onderwijs (appellant) met betrekking tot de erkenning van door haar gevolgde professionaliseringsopleidingen. De juridische context wordt gevormd door de rijksbekostiging van schoolleidersprofessionalisering (€ 29,5 miljoen per jaar vanaf 2013) en de in de CAO PO 2024-2025 (artikel 9.7) neergelegde verplichting voor directieleden om afspraken te maken over deskundigheidsbevordering conform de door het Schoolleidersregister PO vastgestelde bekwaamheidseisen. Het register kent een eigen accreditatieprocedure, waarbij een afwijzende beslissing kan worden aangevochten via bezwaar en administratief beroep op grond van de artikelen 10 en 11 van het Registerreglement. Het hof overweegt dat appellant noch haar werkgever ooit een poging heeft ondernomen om de gevolgde opleidingen te laten accrediteren. Geïntimeerde heeft onweersproken gesteld dat accreditatieverzoeken in onderling overleg doorgaans worden gehonoreerd. Nu appellant de beschikbare en toegankelijke interne procedure volledig onbenut heeft gelaten, is er geen grond om geïntimeerde aansprakelijk of tekortschietend te achten. Het hof wijst de vordering van appellant dan ook af. De uitspraak is feitelijk van aard en bevestigt het algemene rechtsbeginsel dat een partij eerst de haar ter beschikking staande rechtsmiddelen en procedures dient te benutten alvorens de rechter om ingrijpen te vragen. Voor de onderwijspraktijk onderstreept de beslissing dat schoolleiders en besturen bij geschillen over professionaliseringsaccreditatie tijdig en actief gebruik moeten maken van de registerrechtgang.