Belastingrechter: activiteiten vormen geen onderneming voor IB
ECLI:NL:GHAMS:2026:1134, Gerechtshof Amsterdam, 14-04-2026, 25/851
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Geen sprake van winst uit onderneming dus geen recht op belastingfaciliteiten. Zorgvuldigheidsbeginsel niet geschonden.
Kern van de zaak
Een vrouw (eiseres) claimde winst uit onderneming in haar aangifte inkomstenbelasting over 2020-2023. De Belastingdienst weigerde dit te erkennen. Eiseres ging in beroep en stelde dat haar activiteiten kwalificeerden als een onderneming.
Beslissing van de rechter
Het beroep is ongegrond verklaard; de rechter oordeelde dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van winst uit onderneming. Doorslaggevend was de uiterst geringe omzet (€203 in 2020), afwezigheid van investeringen, marginale marketingactiviteiten en geen omzet in 2021 en 2022, waardoor een objectieve winstverwachting ontbrak.
Impactscore
LaagDe uitspraak past volledig binnen bestaande, vaste jurisprudentie van de Hoge Raad en stelt geen nieuw recht. Het betreft een feitelijke toepassing van bekende criteria op een individueel geval met beperkte precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Eiseres droeg de bewijslast om aannemelijk te maken dat sprake was van een onderneming met subjectief winstoogmerk én objectieve winstverwachting.
- 2De omzet in 2020 bedroeg slechts €203 (aangifte IB) respectievelijk €467 (omzetbelasting), zonder enige aantoonbare kosten of investeringen.
- 3In 2021 en 2022 werd geheel geen omzet of winst gerealiseerd; het hof betrekt dit mee in de beoordeling van de objectieve winstverwachting.
- 4Het inkomen van €5.487 in 2023 werd aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden, niet als winst uit onderneming.
- 5De toetsingscriteria volgen vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (2011 en 2012): duurzaamheid, omvang, investeringen, ondernemersrisico en bekendheid naar buiten.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste belastingrechtelijke lijn dat minimale omzet, afwezigheid van investeringen en het ontbreken van reëel debiteurenrisico in de weg staan aan kwalificatie als onderneming voor de inkomstenbelasting. Er is geen nieuw recht gesteld.
Praktische impact
Eiseres kan geen gebruik maken van ondernemersfaciliteiten (zoals zelfstandigenaftrek en MKB-winstvrijstelling) voor de betreffende jaren, wat haar belastingdruk verhoogt ten opzichte van de ingediende aangiften.
Onderwerp-impact
Voor zzp'ers en startende ondernemers benadrukt deze uitspraak dat louter de wil om winst te maken onvoldoende is; concrete feiten over investeringen, omzetpotentieel en ondernemersrisico moeten aantoonbaar zijn om fiscaal als ondernemer te worden erkend.
Samenvatting
In deze belastingzaak voor het Gerechtshof Amsterdam stond de vraag centraal of de activiteiten van eiseres kwalificeren als een onderneming in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001, zodat zij aanspraak kan maken op winst uit onderneming. De Belastingdienst had dit standpunt verworpen en de aangifte gecorrigeerd. Eiseres stelde daartegen beroep in. Het hof toetste aan de vaste criteria uit Hoge Raad-jurisprudentie van 2011 en 2012: voor kwalificatie als onderneming moet sprake zijn van een duurzame organisatie van arbeid en kapitaal met zowel een subjectief winstoogmerk als een objectieve winstverwachting. Daarbij spelen factoren als de omvang en duurzaamheid van de werkzaamheden, het ondernemers- en debiteurenrisico, de hoogte van investeringen, het aantal opdrachtgevers en de bekendheid naar buiten een rol. De bewijslast lag bij eiseres. Het hof oordeelde dat zij hier niet aan heeft voldaan. In 2020 genereerde zij slechts €203 (IB-aangifte) respectievelijk €467 (omzetbelasting) aan omzet, zonder enige aantoonbare kosten of investeringen. In 2021 en 2022 was er in het geheel geen omzet of winst. Het inkomen van €5.487 dat zij in 2023 ontving, was reeds in haar eigen aangifte aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden. Eiseres had nauwelijks marketingactiviteiten ondernomen en liep vrijwel geen ondernemers- of debiteurenrisico. Het hof concludeerde dat hoewel eiseres de wil had om te ondernemen, met de feitelijk verrichte activiteiten het behalen van winst redelijkerwijs niet kon worden verwacht. Het beroep werd dan ook ongegrond verklaard. Partijen kunnen binnen zes weken beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad.