Gebruikelijk loon DGA niet verlaagd wegens onvoldoende bewijs verliessituatie
ECLI:NL:GHAMS:2025:3817, Gerechtshof Amsterdam, 21-10-2025, 23/486
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Toepassing gebruikelijkloonregeling.
Kern van de zaak
Een vennootschap (belanghebbende) stelt in hoger beroep bij het Gerechtshof Amsterdam dat het door de inspecteur vastgestelde gebruikelijk loon voor haar DGA te hoog is, omdat de vennootschap langdurig verlies zou lijden. De inspecteur heeft voor belastingjaren 2017 en 2018 een gebruikelijk loon vastgesteld op basis van een deeltijdfactor (50% van het normbedrag: respectievelijk €5.625 en €22.500). De rechtbank had het beroep slechts gedeeltelijk gegrond verklaard (enkel de vergrijpboete werd verminderd tot €2.806).
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond: het Hof bevestigt het oordeel van de rechtbank dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat het gebruikelijk loon lager moet worden vastgesteld. De doorslaggevende reden is dat de in hoger beroep overgelegde aangiften vennootschapsbelasting (2019–2024) aantonen dat de omzet beduidend hoger was dan eerder gesteld, waardoor van een langdurige verliessituatie geen sprake is.
Impactscore
LaagDe uitspraak past bestaande rechtspraak en wetgeving toe zonder nieuwe rechtsnormen te stellen; de impact beperkt zich tot bevestiging van de bewijslastverdeling in een individuele belastingzaak.
Belangrijkste punten
- 1De bewijslast dat het gebruikelijk loon lager is dan het normbedrag rust op de belastingplichtige (DGA/vennootschap).
- 2Belanghebbende stelde een langdurige verliessituatie die aanleiding zou geven het gebruikelijk loon te verlagen of de regeling buiten toepassing te laten.
- 3Uit de in hoger beroep overgelegde aangiften vennootschapsbelasting 2019–2024 bleek de omzet beduidend hoger dan eerder beweerd (niet ~€17.000 maar aanzienlijk meer).
- 4De rechtbank had de vergrijpboete al verminderd tot €2.806; dat onderdeel was niet meer in geschil in hoger beroep.
- 5Het Hof verenigt zich volledig met de gronden van de rechtbank en vult deze slechts aan op het punt van de verliessituatie.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van de bewijslastverdeling bij de gebruikelijkloonregeling (art. 12a Wet LB 1964): de belastingplichtige moet concreet en consistent aannemelijk maken dat sprake is van een langdurige verliessituatie die afwijking rechtvaardigt. Tegenstrijdige financiële gegevens werken in het nadeel van de belastingplichtige.
Praktische impact
DGA's en hun vennootschappen die een lager gebruikelijk loon willen onderbouwen via een verliessituatie, dienen consistent en volledig financieel bewijs aan te leveren; later overgelegde stukken die eerdere stellingen tegenspreken, ondermijnen de geloofwaardigheid van het betoog.
Onderwerp-impact
Voor DGA's in kleine vennootschappen met wisselende omzetten onderstreept deze uitspraak het belang van zorgvuldige en consistente administratie en financiële onderbouwing bij een beroep op de afwijkingsgronden van de gebruikelijkloonregeling.
Samenvatting
In deze belastingzaak stond centraal of een vennootschap aannemelijk had gemaakt dat het gebruikelijk loon van haar directeur-grootaandeelhouder (DGA) lager diende te zijn dan het door de inspecteur vastgestelde bedrag op grond van artikel 12a Wet LB 1964. De inspecteur had voor 2017 en 2018 een gebruikelijk loon vastgesteld van respectievelijk €5.625 en €22.500, gebaseerd op 50% van het wettelijke normbedrag vanwege een deeltijdfactor. De vennootschap betoogde in hoger beroep bij het Gerechtshof Amsterdam dat zij verkeerde in een langdurige verliessituatie, hetgeen zou rechtvaardigen de gebruikelijkloonregeling buiten toepassing te laten dan wel een lager loon in aanmerking te nemen. Het Hof bevestigt het oordeel van de rechtbank dat op de belastingplichtige de bewijslast rust aannemelijk te maken dat het gebruikelijk loon lager is. Aan die bewijslast heeft de vennootschap niet voldaan. Cruciaal was dat de in hoger beroep overgelegde aangiften vennootschapsbelasting voor de jaren 2019 tot en met 2024 een beduidend hogere omzet lieten zien dan de vennootschap aanvankelijk had gesteld (niet de beweerde ~€17.000, maar aanzienlijk meer). Bovendien bleken de kosten in die jaren telkenmale nagenoeg gelijk, wat het beeld van een structurele verliessituatie verder ondermijnde. De nieuw ingediende stukken wierpen dan ook geen wezenlijk ander licht op de zaak, maar spraken de eigen stellingen juist tegen. De rechtbank had het beroep eerder slechts gedeeltelijk gegrond verklaard: uitsluitend de opgelegde vergrijpboete werd verminderd tot €2.806. Het Hof laat dit oordeel in stand. Het hoger beroep van de vennootschap faalt volledig op het punt van het gebruikelijk loon. De uitspraak illustreert dat tegenstrijdig en inconsistent financieel bewijs de geloofwaardigheid van een beroep op een verliessituatie ernstig schaadt en dat belastingplichtigen een sluitend en consistent dossier moeten opbouwen wanneer zij afwijking van de gebruikelijkloonregeling nastreven.