Pgb-houder misloopt ziekengeldvergoeding door te late ziekmelding
ECLI:NL:CRVB:2026:997, Centrale Raad van Beroep, 30-07-2026, 24/1927 WMO15
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Toekenning van de ziekengeldvergoeding. De Raad is oordeel dat de brief over de toekenning van de ziekengeldvergoeding een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De rechtbank heeft niet onderkend dat dit besluit is gebaseerd op buitenwettelijk begunstigend beleid en heeft zich ten onrechte niet beperkt tot een terughoudende toetsing. De Raad acht dit beleid niet onevenredig. Ook is niet gebleken van omstandigheden die leiden tot een onevenredige uitkomst voor betrokkene. De Raad is daarom van oordeel dat het besluit over de toekenning van de ziekengeldvergoeding in stand kan blijven. Betrokkene heeft geen recht op een aanvullende dwangsom.
Kern van de zaak
Een pgb-houder (geboren 1979) met huishoudelijke hulp via een zorgovereenkomst meldde de ziekte van haar zorgverlener pas op 23 februari 2022, terwijl de ziekte al op 17 februari 2022 was ingegaan. De Svb weigerde daarom de vergoeding over de eerste zes dagen en compenseerde slechts vijf weken in plaats van zes.
Beslissing van de rechter
De Centrale Raad van Beroep behandelt het hoger beroep van betrokkene; de uitspraaktekst is onvolledig, maar op basis van de beschikbare overwegingen staat vast dat de Svb het bezwaar ongegrond heeft verklaard omdat de ziekmelding te laat was gedaan, waardoor de periode 17–22 februari 2022 niet voor vergoeding in aanmerking komt.
Impactscore
LaagHet betreft een individuele, financieel beperkte zaak (enkele tientallen euro's) over een bekende regel inzake tijdige ziekmelding bij pgb; er is geen aanwijzing van nieuwe rechtsontwikkeling en de uitspraak is bovendien onvolledig beschikbaar.
Belangrijkste punten
- 1Tijdige ziekmelding is een voorwaarde voor het recht op ziekengeldvergoeding vanuit het pgb onder de Wmo 2015.
- 2De zorgverlener was ziek vanaf 17 februari 2022, maar betrokkene meldde dit pas op 23 februari 2022, zes dagen te laat.
- 3De Svb heeft de compensatie vastgesteld op vijf weken in plaats van de door betrokkene geclaimde zes weken.
- 4De financiële gevolgen zijn beperkt: betrokkene liep een vergoeding van circa € 26,25 mis over de niet-gecompenseerde periode.
- 5De uitspraaktekst is onvolledig; de definitieve beslissing van de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep is niet volledig kenbaar uit de beschikbare tekst.
Impactanalyse
Juridische impact
De zaak bevestigt dat pgb-houders strikt gebonden zijn aan meldingstermijnen voor ziekte van hun zorgverlener om aanspraak te maken op ziekengeldvergoeding onder de Wmo 2015. Niet-tijdige melding leidt tot verval van het recht over de niet-gemelde periode, ongeacht de feitelijke ziekteperiode.
Praktische impact
Pgb-houders die zorg inkopen via een persoonlijke zorgovereenkomst dienen bij ziekte van hun zorgverlener onmiddellijk melding te doen bij de Svb om verlies van vergoeding te voorkomen; zelfs een korte vertraging kan leiden tot financieel nadeel.
Onderwerp-impact
In de zorgsector onderstreept deze uitspraak het belang van correcte en tijdige administratieve handelingen door pgb-budgethouders, en het risico van administratief verlies bij informele zorgarrangementen.
Samenvatting
In deze zaak bij de Centrale Raad van Beroep staat de vraag centraal of de Sociale Verzekeringsbank (Svb) terecht heeft geweigerd een ziekengeldvergoeding toe te kennen over de periode 17 tot en met 22 februari 2022 aan een pgb-houder die via de Wmo 2015 huishoudelijke hulp ontvangt. De betrokkene, geboren in 1979, had een zorgovereenkomst gesloten met een zorgverlener. Toen deze zorgverlener op 17 februari 2022 ziek werd, deed betrokkene pas op 23 februari 2022 – zes dagen later – melding bij de Svb. De Svb stelde zich op het standpunt dat de ziekmelding niet tijdig was gedaan en compenseerde betrokkene daarom slechts over vijf weken (van 23 februari tot en met 30 maart 2022), waarbij het pgb werd aangevuld met respectievelijk € 26,25 over februari en € 105,00 over maart 2022. Betrokkene maakte bezwaar en stelde recht te hebben op vergoeding over een volledige periode van zes weken ingaande 17 februari 2022. De Svb verklaarde het bezwaar ongegrond en handhaafde zijn standpunt dat de niet-tijdige melding tot verval van het recht over de gemiste periode leidt. De Centrale Raad van Beroep behandelt het hoger beroep, maar de beschikbare uitspraaktekst is onvolledig, waardoor de definitieve beslissing van de Raad niet volledig kan worden vastgesteld. Op basis van de gepresenteerde feiten en overwegingen blijkt dat het geschil draait om de strikte toepassing van de meldingsplicht bij ziekte van een pgb-gefinancierde zorgverlener. De zaak illustreert dat pgb-houders direct actie moeten ondernemen bij ziekte van hun zorgverlener om aanspraak te houden op de volledige ziekengeldvergoeding, en dat administratieve nalatigheid – hoe kort ook – concrete financiële consequenties heeft.