Bijstandsgerechtigde tevergeefs om opleidingssteun piloot gevraagd
ECLI:NL:CRVB:2026:954, Centrale Raad van Beroep, 21-07-2026, 23/3065 PW
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Afwijzing aanvraag om een re-integratievoorziening. Vergoeding kosten opleiding tot piloot. Beleid. Opleiding niet noodzakelijk voor arbeidsinschakeling. Gelet op de beoordelingsruimte die art. 10 lid 1 PW expliciet aan het dagelijks bestuur geeft, is het voor de beoordeling van de noodzakelijkheid van een voorziening niet doorslaggevend wat appellant in het kader van zijn arbeidsinschakeling zelf graag wil. Aangezien appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellant uitsluitend met een opleiding tot piloot zou kunnen instromen in arbeid, heeft het dagelijks bestuur in redelijkheid vergoeding van de kosten van de pilotenopleiding in het kader van een voorziening op grond van art. 10 lid 1 PW mogen weigeren op de grond dat het dagelijks bestuur deze voorziening niet noodzakelijk acht voor de arbeidsinschakeling
Kern van de zaak
Een bijstandsgerechtigde met medische beperkingen ontving een PW-uitkering en wilde piloot worden. Hij vroeg de gemeente om ondersteuning bij financiering van een vliegopleiding, maar de gemeente weigerde. Appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
Beslissing van de rechter
De uitspraak is onvolledig beschikbaar, waardoor de uiteindelijke beslissing niet met zekerheid kan worden vastgesteld. Op basis van de beschikbare tekst lijkt het hoger beroep te zijn behandeld en is een uitspraak gedaan op 21 juli 2026, maar de inhoudelijke beslissing (toegewezen, afgewezen of anderszins) ontbreekt in de aangeleverde tekst.
Impactscore
LaagDe uitspraak betreft een individueel geval over re-integratieverplichtingen onder de Participatiewet zonder aanwijzingen voor richtinggevende rechtsontwikkeling; de onvolledige tekst beperkt de beoordeling van de daadwerkelijke impact verder.
Belangrijkste punten
- 1Appellant ontving bijstandsuitkering naar alleenstaandennorm vanaf 29 juli 2019 en was meerdere malen ontheven van arbeidsverplichtingen wegens medische beperkingen.
- 2De gemeente weigerde de kosten van een vliegopleiding (€ 15.000,-) te bekostigen omdat terugkeer naar regulier werk haalbaar werd geacht.
- 3Een Bbz 2004-aanvraag voor zelfstandig ondernemerschap als piloot werd afgewezen omdat appellant eerst een opleiding moest voltooien voordat hij als piloot kon functioneren.
- 4De gemeente kon geen garantstelling bieden voor een lening ter financiering van de opleiding.
- 5De zaak raakt de grenzen van de gemeentelijke re-integratieplicht en de reikwijdte van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling onder de Participatiewet.
Impactanalyse
Juridische impact
De zaak verduidelijkt de grenzen van de gemeentelijke zorgplicht voor re-integratievoorzieningen onder de Participatiewet, in het bijzonder of kostbare beroepsopleidingen zoals een vliegopleiding onder de reikwijdte van artikel 10 PW kunnen vallen. Vanwege de onvolledige tekst is de precieze rechtsregel die de Raad heeft gesteld niet vast te stellen.
Praktische impact
Voor bijstandsgerechtigden met ambitieuze maar kostbare loopbaanwensen biedt deze zaak weinig houvast zolang de volledige uitspraak ontbreekt; gemeenten kunnen blijven verwijzen naar haalbaarheid van reguliere arbeidsbemiddeling als grond voor weigering van dure opleidingen.
Onderwerp-impact
De uitspraak raakt de uitvoeringspraktijk van sociale diensten bij het beoordelen van re-integratieaanvragen en de samenloop met Bbz 2004-trajecten voor aspirant-zelfstandigen.
Samenvatting
Deze zaak voor de Centrale Raad van Beroep betreft een bijstandsgerechtigde die sinds 29 juli 2019 een PW-uitkering ontving naar de norm voor een alleenstaande. Vanwege medische beperkingen werd hij meerdere keren ontheven van zijn arbeidsverplichtingen. De man koesterde de ambitie om piloot te worden en had uitgezocht dat hij in Iran voor € 15.000,- een vliegopleiding kon volgen. De gemeente weigerde deze opleiding te bekostigen, omdat zij inschatten dat appellant na herstel voldoende kans maakte op reguliere arbeidsinschakeling. Een nieuwe klantmanager bekeek vervolgens de mogelijkheden voor zelfstandig ondernemerschap als piloot via het Bbz 2004, maar ook dat traject strandde: een medewerker oordeelde dat een Bbz-aanvraag niet passend was omdat appellant eerst de opleiding moest afronden. Pogingen om een lening te verkrijgen voor de opleidingskosten liepen eveneens op niets uit, mede omdat de gemeente geen garantstelling kon verlenen. De juridische kern van de zaak betreft de reikwijdte van de gemeentelijke verplichting tot het aanbieden van re-integratievoorzieningen onder de Participatiewet en de vraag of een kostbare beroepsopleiding als de vliegopleiding als noodzakelijke voorziening gericht op arbeidsinschakeling kan worden aangemerkt. Appellant bestreed de weigering van de gemeente in hoger beroep. De Centrale Raad van Beroep deed uitspraak op 21 juli 2026. De beschikbare tekst van de uitspraak is echter onvolledig, waardoor de inhoudelijke beslissing en de doorslaggevende motivering van de Raad niet met zekerheid kunnen worden weergegeven. Op basis van de stukken kan worden vastgesteld dat de zaak betrekking heeft op de grenzen van de gemeentelijke re-integratieplicht en de samenloop tussen de PW en het Bbz 2004, maar een definitieve conclusie over de uitkomst vereist de volledige uitspraaktekst.