Bijstand ingetrokken wegens bewezen gezamenlijke huishouding
ECLI:NL:CRVB:2026:953, Centrale Raad van Beroep, 21-07-2026, 24/2449 PW
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Medeterugvordering van bijstand. Gezamenlijke huishouding. Hoofdverblijf in dezelfde woning. De onderzoeksresultaten bieden een toereikende onderbouwing voor het standpunt van het college dat appellante in de te beoordelen periode haar hoofdverblijf in de woning van X op uitkeringsadres Y had. De reden waarom een gezamenlijke huishouding wordt gevoerd en de aard van de onderlinge relatie zijn in dit verband niet van betekenis. Het staat daarnaast vast dat X niet bij het college heeft gemeld dat hij een gezamenlijke huishouding voerde met appellante. Hiermee is voldaan aan de voorwaarden van artikel 59, tweede lid, van de PW. Het college was daarom bevoegd de van X teruggevorderde kosten van bijstand over de periode waar het hier over gaat mede van appellante terug te vorderen.
Kern van de zaak
X ontving bijstand als alleenstaande op grond van de Participatiewet. Naar aanleiding van de geboorte van twee kinderen stelde gemeente Breda een onderzoek in. Uit waarnemingen en huisbezoek bleek dat de auto van appellante (de moeder van zijn kinderen) vrijwel dagelijks, ook 's nachts, bij het uitkeringsadres stond geparkeerd.
Beslissing van de rechter
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat er sprake is van een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3 lid 4 onder b Participatiewet, waardoor X geen recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Doorslaggevend zijn de uitgebreide waarnemingen waaruit blijkt dat appellante feitelijk samenwoonde met X op het uitkeringsadres.
Impactscore
LaagDe uitspraak past bestaande, vaste jurisprudentie toe over het begrip gezamenlijke huishouding en voegt geen nieuwe rechtsnormen toe. De impact is beperkt tot de individuele zaak, al is cassatie bij de Hoge Raad mogelijk.
Belangrijkste punten
- 1X ontving bijstand als alleenstaande; appellante stond formeel ingeschreven op een ander adres bij haar ouders
- 2Onderzoek gestart na melding van geboorte van twee gezamenlijke kinderen in 2021 en 2023
- 3Auto van appellante werd bij 31 waarnemingen 29 keer aangetroffen op het parkeerterrein bij het uitkeringsadres, inclusief nachtelijke aanwezigheid
- 4Artikel 3 lid 4 onder b PW: gezamenlijke huishouding wordt vermoed aanwezig bij gezamenlijke kinderen
- 5Cassatieberoep bij de Hoge Raad mogelijk wegens verkeerde toepassing van het begrip 'gezamenlijke huishouding'
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak past het wettelijk vermoeden van artikel 3 lid 4 onder b Participatiewet toe: het hebben van gezamenlijke kinderen leidt tot een (weerlegbaar) vermoeden van gezamenlijke huishouding, dat hier niet is weerlegd. Dit bevestigt vaste rechtspraak over de bewijslastverdeling bij de kostendelersnorm en bijstandsfraude.
Praktische impact
Voor X betekent dit waarschijnlijk intrekking en terugvordering van ten onrechte ontvangen bijstand over de periode dat de gezamenlijke huishouding bestond. Appellante en X worden fiscaal en uitkeringstechnisch behandeld als samenwonenden.
Onderwerp-impact
Voor bijstandsgerechtigden met kinderen bij een partner die formeel op een ander adres staat ingeschreven, benadrukt deze uitspraak dat feitelijke woonsituatie en het hebben van gezamenlijke kinderen zwaarder wegen dan de BRP-inschrijving.
Samenvatting
X ontving vanaf 2015 bijstand als alleenstaande op grond van de Participatiewet van de gemeente Breda. Nadat een gemeentemedewerker meldde dat X in 2021 en 2023 vader was geworden van twee kinderen met appellante, startte een handhavingsmedewerker een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstandsverlening. Appellante stond formeel ingeschreven bij haar ouders op een ander adres, maar uit uitgebreid observatieonderzoek bleek een ander beeld: bij 31 waarnemingen werd haar auto 29 keer aangetroffen op het parkeerterrein achter het appartementencomplex van X, waaronder meerdere malen 's nachts met bevroren of beslagen ruiten. Daarnaast werd appellante tweemaal waargenomen terwijl zij het appartement van X verliet, en vond op 24 maart 2023 een huisbezoek plaats. De centrale juridische vraag was of X en appellante een gezamenlijke huishouding voerden in de zin van artikel 3 lid 4 onder b van de Participatiewet. Op grond van die bepaling wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen samen kinderen hebben. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat dit wettelijk vermoeden van toepassing is en dat de onderzoeksbevindingen het vermoeden van gezamenlijke huishouding niet alleen bevestigen maar ook niet zijn weerlegd door appellante of X. Omdat X bijstand ontving naar de norm voor een alleenstaande terwijl hij feitelijk samenwoonde met appellante, voldeed hij niet aan de voorwaarden voor deze uitkeringsnorm. De uitspraak bevestigt de vaste lijn in de rechtspraak dat de feitelijke leefsituatie doorslaggevend is boven de formele BRP-inschrijving, en dat het wettelijk vermoeden bij gezamenlijke kinderen een zware bewijslast legt op de bijstandsontvanger. Partijen kunnen binnen zes weken cassatie instellen bij de Hoge Raad ter zake van schending of verkeerde toepassing van het begrip gezamenlijke huishouding.