Bijzondere bijstand afgewezen wegens voorliggende Zvw-voorziening
ECLI:NL:CRVB:2026:952, Centrale Raad van Beroep, 21-07-2026, 23/3420 PW
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand. Diverse kosten. Geen procesbelang. Zvw is voorliggende voorziening. Wat betreft de kosten van medicinale cannabis heeft appellante geen procesbelang. De op deze nota betrekking hebbende schuld van appellante is door de apotheek kwijtgescholden. Voor de kosten van de boxspring, het matras, de topper, het dekbed en het kussen heeft appellante een vergoeding van de zorgverzekeraar ontvangen. Daarmee vallen die kosten onder de reikwijdte van de Zvw en de Regeling zorgverzekering. De Zvw is voor deze kosten dus een voorliggende voorziening. Dat appellante als gevolg van die bewuste keuze niet al haar kosten vergoed krijgt, maakt, anders dan zij heeft aangevoerd, niet dat geen sprake is van een passende en toereikende voorziening
Kern van de zaak
Een bijstandsgerechtigde met gezondheidsproblemen vroeg bijzondere bijstand aan voor medicinale cannabis, slaapattributen en een stofzuiger. Het dagelijks bestuur wees de aanvraag af omdat de Zorgverzekeringswet als voorliggende voorziening geldt. De rechtbank vernietigde het besluit deels maar liet de rechtsgevolgen in stand.
Beslissing van de rechter
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep voor zover dat betrekking heeft op medicinale cannabis niet-ontvankelijk en bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige. Doorslaggevend is dat artikel 15, eerste lid, van de Participatiewet aan bijstandsverlening in de weg staat omdat de Zorgverzekeringswet een passende en toereikende voorliggende voorziening biedt voor de gevraagde kosten.
Impactscore
LaagDe uitspraak past gevestigde jurisprudentie toe over artikel 15 PW en de voorliggende voorzieningentoets zonder nieuwe rechtsnormen te stellen. De zaak is feitelijk van aard en heeft beperkte precedentwerking buiten vergelijkbare individuele situaties.
Belangrijkste punten
- 1Artikel 15 lid 1 PW sluit bijzondere bijstand uit wanneer een toereikende voorliggende voorziening bestaat
- 2De Zorgverzekeringswet wordt aangemerkt als passende en toereikende voorliggende voorziening voor de gevraagde zorg- en woonkosten
- 3Kosten die niet volledig worden vergoed door de Zvw worden beschouwd als niet-noodzakelijk in het kader van de bijstand
- 4Het hoger beroep over medicinale cannabis wordt niet-ontvankelijk verklaard (vermoedelijk wegens ontbreken van procesbelang of grieven op dat punt)
- 5De rechtbank had het besluit al vernietigd wegens motiveringsgebrek, maar liet de rechtsgevolgen in stand; de Raad bevestigt dit oordeel
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van de voorliggende voorzieningentoets van artikel 15 PW: zolang de Zvw van toepassing is, bestaat er in beginsel geen recht op bijzondere bijstand, ook niet voor het deel dat niet wordt vergoed. Dit stelt duidelijke grenzen aan de aanvullende werking van bijzondere bijstand bij zorgkosten.
Praktische impact
Voor bijstandsgerechtigden met medische kosten betekent dit dat zij bij een afwijzing van vergoeding door hun zorgverzekeraar niet automatisch een beroep kunnen doen op bijzondere bijstand als vangnet. De financiële last van niet-vergoede zorg- en slaapgerelateerde hulpmiddelen blijft bij henzelf.
Onderwerp-impact
In de zorg- en socialezekerheidssfeer bevestigt deze uitspraak dat de combinatie Zvw/bijzondere bijstand strikt wordt gehanteerd: bijzondere bijstand vult de Zvw niet aan voor kosten die de verzekeraar (deels) niet vergoedt, tenzij de voorziening als ontoereikend kan worden aangemerkt.
Samenvatting
In deze zaak verzocht een bijstandsgerechtigde vrouw met diverse gezondheidsproblemen om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet voor uiteenlopende kosten: medicinale cannabis, een stofzuiger, een boxspring, matras, topper, dekbed en kussen. Het dagelijks bestuur wees de aanvraag af met een beroep op artikel 15, eerste lid, van de PW, dat bijstandsverlening uitsluit wanneer een voorliggende voorziening toereikend wordt geacht. De Zorgverzekeringswet werd als zodanig aangemerkt. De zorgverzekeraar had al een vergoeding van ruim € 2.262 uitgekeerd voor een deel van de kosten; het resterende deel werd als niet-noodzakelijk bestempeld. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond wegens een motiveringsgebrek ten aanzien van de slaapattributen, maar liet de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. Appellante ging in hoger beroep voor zover de rechtbank die rechtsgevolgen in stand had gelaten. De Centrale Raad van Beroep bevestigt in hoger beroep de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep betreffende de medicinale cannabis wordt niet-ontvankelijk verklaard. Voor de overige kosten oordeelt de Raad dat de rechtbank terecht de rechtsgevolgen in stand heeft gelaten: de Zvw biedt een passende en toereikende voorliggende voorziening, waardoor artikel 15 PW aan bijstandsverlening in de weg staat. Het feit dat de zorgverzekeraar de kosten slechts gedeeltelijk heeft vergoed, maakt de voorliggende voorziening niet automatisch ontoereikend. De uitspraak is een toepassing van bestaande jurisprudentie over de verhouding tussen bijzondere bijstand en voorliggende voorzieningen en heeft geen richtinggevend karakter, maar benadrukt wederom dat bijzondere bijstand een ultimum remedium is dat pas in beeld komt wanneer een voorliggende voorziening aantoonbaar tekortschiet.