Bijstand ingetrokken wegens verzwijgen extra werkuren supermarkt
ECLI:NL:CRVB:2026:951, Centrale Raad van Beroep, 21-07-2026, 24/2028 PW
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Intrekking en terugvordering van bijstand. Aanwezigheid op eigen werkplek. Meer uren gewerkt dan opgegeven. Schending inlichtingenverplichting. Recht niet vast te stellen. Uit de onderzoeksbevindingen volgt dat appellant meer heeft gewerkt dan hij heeft gemeld. Dit zijn op geld waardeerbare werkzaamheden. Appellanten hebben daarom de inlichtingenverplichting geschonden. Nu appellanten ontkennen dat appellant extra uren heeft gewerkt en zij geen inzage hebben gegeven in de daadwerkelijke omvang van zijn werkzaamheden en evenmin in zijn inkomsten daaruit, heeft het college aannemelijk gemaakt dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
Kern van de zaak
Een echtpaar ontvangt bijstand op grond van de Participatiewet. De man gaat werken bij een supermarkt maar geeft in zijn weekstaten slechts circa acht uur per week op. Sociaal recherche-onderzoek wijst uit dat hij meer uren heeft gewerkt dan opgegeven, waarna het college de bijstand intrekt en terugvordert.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard; de Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank die het besluit tot intrekking en terugvordering in stand liet. De doorslaggevende reden is dat appellanten de inlichtingenverplichting van artikel 17 Participatiewet hebben geschonden door niet te melden dat appellant meer uren werkte dan opgegeven, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
Impactscore
LaagDe uitspraak past geheel binnen bestaande, vaste jurisprudentie over de inlichtingenverplichting en voegt geen nieuwe rechtsnormen toe; de financiële impact is beperkt en de zaak heeft geen precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Appellant gaf in weekstaten slechts ~8 uur per week op, terwijl sociaal recherche-waarnemingen meer werkuren aantonen.
- 2Schending van de inlichtingenverplichting ex artikel 17 lid 1 Participatiewet is de juridische grondslag voor intrekking.
- 3Omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, is intrekking gerechtvaardigd zonder dat exacte inkomsten hoeven te worden bewezen.
- 4Terugvordering beperkt zich tot de periode 28 juli – 31 juli 2023 (€ 170,13); intrekking loopt vanaf 28 juli 2023.
- 5Appellante is niet verschenen bij de zitting; het college was wel vertegenwoordigd.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat schending van de inlichtingenverplichting voldoende grond is voor intrekking van bijstand wanneer het recht daardoor niet meer kan worden vastgesteld, zonder dat de exacte omvang van verzwegen inkomsten hoeft te worden aangetoond.
Praktische impact
Appellanten verliezen hun bijstandsuitkering met ingang van 28 juli 2023 en moeten € 170,13 terugbetalen; de man zal met zijn supermarktinkomen in zijn levensonderhoud moeten voorzien zonder aanvullende bijstand.
Onderwerp-impact
Voor bijstandsgerechtigden die (deeltijd) werk aanvaarden benadrukt deze zaak het belang van volledige en tijdige opgave van alle gewerkte uren; gebrekkige weekstaatinformatie leidt onmiddellijk tot verlies van uitkering.
Samenvatting
Appellanten, een echtpaar, ontvangen vanaf 1 november 2022 bijstand op grond van de Participatiewet naar de gehuwdennorm. Nadat de man per 1 juli 2023 is gaan werken bij een plaatselijke supermarkt, legt het college hem de verplichting op wekelijks werkstaten in te leveren. In de ingediende weekstaten over juli 2023 geeft hij aan ongeveer acht uur per week te werken; over augustus levert hij geen weekstaten in omdat hij naar eigen zeggen met vakantie was. Op basis van een gerezen vermoeden stelt een sociaal rechercheur een onderzoek in, waarbij waarnemingen worden verricht rondom de supermarkt in de periode 21 juli tot en met 22 augustus 2023. De bevindingen leiden tot de conclusie dat appellant meer uren heeft gewerkt dan hij heeft opgegeven. Het college trekt daarop de bijstand in met ingang van 28 juli 2023 en vordert over de periode 28 tot en met 31 juli 2023 een bedrag van € 170,13 terug. De juridische vraag is of het college terecht heeft vastgesteld dat appellanten de inlichtingenverplichting van artikel 17 lid 1 Participatiewet hebben geschonden en of intrekking en terugvordering rechtmatig zijn. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond; de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel in hoger beroep. Doorslaggevend is dat door de onjuiste opgave van werkuren het recht op bijstand niet meer kan worden vastgesteld. Volgens vaste jurisprudentie is dit een zelfstandige grond voor intrekking: het college hoeft de precieze hoogte van de verzwegen inkomsten niet te bewijzen. De uitspraak voegt geen nieuwe rechtsnormen toe, maar illustreert opnieuw hoe strikt de inlichtingenverplichting wordt gehandhaafd en welke vergaande gevolgen een gebrekkige opgave van arbeidsuren kan hebben voor de uitkeringspositie van bijstandsgerechtigden.