JurispRadar
ECLI:NL:CRVB:2026:950Laag28/100

Bijzondere bijstand verhuiskosten afgewezen wegens beschikbare alternatieven

ECLI:NL:CRVB:2026:950, Centrale Raad van Beroep, 21-07-2026, 24/2289 PW

Centrale Raad van BeroepUitspraak: 21 juli 2026Publicatie: 21 juli 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:24/2289 PW
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Arbeidsrelaties
Overheid
Participatiewet
Bijzondere Bijstand
Verhuiskosten
Noodzakelijkheidscriterium
Bijstandsgerechtigde

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand. Kosten van verhuizing en inrichtingskosten. Niet noodzakelijke kosten. Er was geen sprake van een noodzakelijke verhuizing, omdat er alternatieven aanwezig waren voor de verhuizing. De reparatie in de huurwoning van appellante zou enkele weken vóór de bevalling afgerond zijn, waarna appellante terug zou kunnen keren in de woning. Anders dan appellante betoogt, zou ze dus in ieder geval niet tijdens de kraamtijd op een (tijdelijk) adres elders hoeven verblijven maar hooguit een aantal weken tijdens (het einde van) de zwangerschap. Het is goed te begrijpen dat de timing voor appellante allesbehalve ideaal was, maar daarmee is nog geen noodzaak tot verhuizing gegeven. Over haar vrees dat de reparatie niet tot een blijvende oplossing zou leiden is overwogen dat de insteek van de grondige reparatie juist was om het probleem daadwerkelijk te verhelpen. Appellante heeft verder niet concreet onderbouwd dat die vrees reëel was. Ook deze omstandigheid levert daarom geen noodzaak tot verhuizing op en de kosten die daaruit voortvloeien kunnen dus niet als noodzakelijk beschouwd worden.

Kern van de zaak

Een bijstandsgerechtigde vrouw vroeg bijzondere bijstand aan voor verhuiskosten, dubbele huur en inrichtingskosten. Zij verhuisde vanwege schimmel en stank in haar woning, terwijl de verhuurder ook andere overbruggingsopties had aangeboden. Het college wees de aanvraag af.

Beslissing van de rechter

De Centrale Raad van Beroep behandelt het hoger beroep tegen de afwijzing van bijzondere bijstand; het college heeft de aanvraag afgewezen omdat de verhuizing niet noodzakelijk was nu de verhuurder meerdere alternatieven had aangeboden. De doorslaggevende reden is dat kosten die voortvloeien uit een eigen keuze om te verhuizen zonder gebruik te maken van aangeboden alternatieven, niet op de bijstand kunnen worden afgewenteld.

28van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak is een toepassing van bestaande bijstandsjurisprudentie over noodzakelijkheid en alternatieven, zonder nieuwe rechtsregels te stellen; de impact blijft beperkt tot de individuele zaak en vergelijkbare gevallen.

Belangrijkste punten

  • 1Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en vroeg bijzondere bijstand voor verhuiskosten in verband met schimmel- en stankoverlast in haar woning.
  • 2De verhuurder had meerdere overbruggingsopties aangeboden (wisselwoning, B&B, financiële vergoeding, sanitaire unit), waardoor het college geen noodzakelijke verhuizing aanwezig achtte.
  • 3Appellante prefereerde vanwege haar zwangerschap geen van de aangeboden alternatieven en koos zelf voor een definitieve verhuizing naar een andere woning.
  • 4Op grond van artikel 35 lid 1 Participatiewet bestaat recht op bijzondere bijstand alleen voor noodzakelijke kosten uit bijzondere omstandigheden die niet anderszins gedekt kunnen worden.
  • 5Het college handhaafde de afwijzing na bezwaar; appellante stelde hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt dat bij de beoordeling van noodzakelijkheid in het kader van bijzondere bijstand rekening wordt gehouden met redelijke alternatieven die door derden worden aangeboden, en dat een eigen voorkeurskeuze de noodzakelijkheid kan doorbreken.

Praktische impact

Bijstandsgerechtigden die verhuizen terwijl redelijke alternatieven beschikbaar waren, lopen een aanzienlijk risico dat bijzondere bijstand voor verhuiskosten wordt geweigerd, ook bij objectief slechte woonomstandigheden.

Onderwerp-impact

Voor de sociale zekerheids- en bijstandspraktijk onderstreept deze uitspraak dat gemeenten de aanwezigheid van alternatieven mogen en moeten meewegen bij de beoordeling van aanvragen voor bijzondere bijstand voor verhuis- en inrichtingskosten.

Samenvatting

Deze zaak betreft een vrouw die van 1 januari 2022 tot en met 30 september 2022 bijstand ontving op grond van de Participatiewet en die in augustus 2023 bijzondere bijstand aanvroeg voor verhuiskosten, dubbele huur en inrichtingskosten. Zij bewoonde met haar dochtertje een huurwoning waar zij veel overlast ondervond van schimmel en stank. De verhuurder had een uitgebreide reparatie aan de asbestriolering gepland voor september 2023, waarbij de woning tijdelijk onbruikbaar zou zijn. Als overbrugging bood de verhuurder meerdere opties aan: een wisselwoning, verblijf in een B&B, een wekelijkse financiële vergoeding van € 250,- zodat appellante zelf tijdelijke huisvesting kon regelen, of een douche-/toiletunit. Appellante wees alle opties af vanwege haar zwangerschap en gaf er de voorkeur aan definitief te verhuizen. De verhuurder bemiddelde en gaf appellante voorrang op een andere woning, die zij op 31 augustus 2023 betrok. Het dagelijks bestuur wees de aanvraag voor bijzondere bijstand af, zowel in de primaire beslissing van 23 augustus 2023 als na bezwaar bij besluit van 5 december 2023. De grondslag was dat de verhuizing niet noodzakelijk was, omdat de verhuurder voldoende alternatieven had aangeboden. Kosten die voortvloeien uit de eigen keuze om te verhuizen zonder gebruik te maken van die alternatieven, kunnen niet worden afgewenteld op de bijstand. De centrale juridische vraag is of de aanwezigheid van deze alternatieven de noodzakelijkheid van de verhuizing in de zin van artikel 35 lid 1 Participatiewet wegneemt. De Centrale Raad van Beroep behandelt het hoger beroep. De uitspraak bevestigt het bestaande juridische uitgangspunt dat bijzondere bijstand alleen wordt verleend voor kosten die werkelijk noodzakelijk zijn en niet anderszins gedekt kunnen worden; een vrije keuze voor een duurdere of andere oplossing terwijl redelijke alternatieven voorhanden zijn, staat aan toekenning in de weg.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 3 augustus 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5500Laag
Bestuursrecht
Omgevingsrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5500, Raad van State, 16-09-2026, 202503162/1/R2

Raad van State16 sep 2026HandhavingVastgoed
28/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5498Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5498, Raad van State, 16-09-2026, 202502470/1/R2

Raad van State16 sep 2026HandhavingVergunningen
32/100Bekijk
ECLI:NL:CBB:2026:441Laag
Bestuursrecht
Europees bestuursrecht

ECLI:NL:CBB:2026:441, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 15-09-2026, 25/55

College van Beroep voor het bedrijfsleven15 sep 2026OverheidVergunningen
28/100Bekijk
ECLI:NL:CBB:2026:430Middel
Bestuursrecht
Europees bestuursrecht

ECLI:NL:CBB:2026:430, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 15-09-2026, 25/353

College van Beroep voor het bedrijfsleven15 sep 2026OverheidHandhaving
32/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied