JurispRadar
ECLI:NL:CRVB:2026:942Laag18/100

Aanvraag individuele inkomenstoeslag terecht afgewezen wegens te hoog inkomen

ECLI:NL:CRVB:2026:942, Centrale Raad van Beroep, 14-07-2026, 25/1340 PW-PV

Centrale Raad van BeroepUitspraak: 14 juli 2026Publicatie: 16 juli 2026
Zaaknummer:25/1340 PW-PV
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Arbeidsrelaties
Overheid
Participatiewet
Bijstandsnorm
Individuele Inkomenstoeslag
Referteperiode
Vakantietoeslag

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Afwijzing aanvraag individuele inkomenstoeslag. Inkomen boven 110% van de norm. Appellant had in de hier van belang zijnde referteperiode van drie jaar een inkomen dat hoger was dan 110% van de voor hem geldende norm. Dit was te hoog om in aanmerking te komen voor de inkomenstoeslag.

Kern van de zaak

Appellant vroeg een individuele inkomenstoeslag aan op grond van de Participatiewet, maar het college wees de aanvraag af omdat zijn inkomen in de referteperiode (juni 2021 t/m mei 2022) boven de inkomensgrens van 110% van de bijstandsnorm uitkwam. Appellant betwistte de berekening door uit te gaan van een onjuiste (te hoge) norm inclusief vakantietoeslag en de verkeerde tijdvakken.

Beslissing van de rechter

Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak is bevestigd. De doorslaggevende reden is dat bij een vergelijking van netto-inkomsten exclusief vakantietoeslag met de corresponderende bijstandsnorm exclusief vakantietoeslag het inkomen van appellant (€ 14.353,38) de inkomensgrens van € 13.591,41 overschreed.

18van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een feitelijke toepassing van een gemeentelijke verordening op een individueel geval zonder principiële rechtsvraag; de uitspraak bevestigt bestaande rekenregels en heeft geen brede precedentwerking.

Belangrijkste punten

  • 1De inkomenstoets voor de individuele inkomenstoeslag vereist een consistente vergelijking: netto-inkomsten exclusief vakantietoeslag worden afgezet tegen de bijstandsnorm exclusief vakantietoeslag.
  • 2Appellant hanteerde ten onrechte de norm inclusief vakantietoeslag en slechts de per januari 2022 geldende norm, terwijl over de gehele referteperiode drie verschillende normbedragen golden.
  • 3De correcte inkomensgrens bedroeg over de referteperiode van twaalf maanden € 13.591,41 (som van maandnormen × 110%), terwijl het inkomen € 14.353,38 was.
  • 4Het college paste de voor appellant gunstigste berekeningswijze toe (inkomsten exclusief vakantietoeslag), wat door appellant niet werd betwist.
  • 5De Verordening individuele inkomenstoeslag 2017 vormt de grondslag voor de inkomensgrens van 110% van de geldende bijstandsnorm.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt dat bij de toepassing van de inkomensgrens voor de individuele inkomenstoeslag intern consistentie vereist is: de gehanteerde inkomstenbasis (exclusief of inclusief vakantietoeslag) moet overeenkomen met de gehanteerde normbasis, en alle gedurende de referteperiode geldende normen moeten worden meegenomen.

Praktische impact

Aanvragers van een individuele inkomenstoeslag dienen bij hun eigen berekeningen rekening te houden met de exacte normbedragen per maand gedurende de volledige referteperiode en mogen niet volstaan met één enkel normbedrag; een kleine fout in de berekeningsgrondslag kan leiden tot afwijzing van de toeslag.

Onderwerp-impact

Voor uitvoerende gemeenten en aanvragers binnen het sociaal domein verduidelijkt deze uitspraak de rekenwijze bij wisselende bijstandsnormen en de behandeling van vakantietoeslag bij de inkomenstoets voor toeslagen.

Samenvatting

In deze zaak stond de afwijzing centraal van een aanvraag om een individuele inkomenstoeslag op grond van de Participatiewet en de Verordening individuele inkomenstoeslag 2017 van de betrokken gemeente. Het college had de aanvraag afgewezen omdat het inkomen van appellant in de referteperiode van drie jaar — en in het bijzonder in de periode juni 2021 tot en met mei 2022 — de inkomensgrens van 110% van de toepasselijke bijstandsnorm overschreed. Appellant betwistte dit oordeel in hoger beroep door te betogen dat zijn inkomsten van € 14.353,38 niet boven die grens uitkwamen. Hij baseerde zijn berekening echter op de bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag (€ 1.091,71 per maand) en gebruikte uitsluitend de per januari 2022 geldende norm, waardoor hij uitkwam op een jaarlijkse inkomensgrens van € 14.401,—. De Centrale Raad van Beroep verwierp dit betoog. Omdat het college de netto-inkomsten van appellant exclusief vakantietoeslag als uitgangspunt had genomen — de voor appellant gunstigste benadering, die appellant zelf niet had betwist — moesten die inkomsten worden vergeleken met de bijstandsnorm eveneens exclusief vakantietoeslag. Bovendien golden in de referteperiode drie verschillende normbedragen: € 1.021,67 in juni 2021, € 1.024,76 van juli tot en met december 2021 en € 1.037,12 van januari tot en met mei 2022. De correcte inkomensgrens bedroeg aldus € 13.591,41 (som van de maandnormen × 110%). Aangezien het inkomen van appellant van € 14.353,38 deze grens overschreed, was de afwijzing terecht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. De uitspraak illustreert het belang van interne consistentie in de berekeningssystematiek en van het hanteren van alle gedurende de referteperiode geldende normbedragen.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 3 augustus 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5500Laag
Bestuursrecht
Omgevingsrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5500, Raad van State, 16-09-2026, 202503162/1/R2

Raad van State16 sep 2026HandhavingVastgoed
28/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5498Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5498, Raad van State, 16-09-2026, 202502470/1/R2

Raad van State16 sep 2026HandhavingVergunningen
32/100Bekijk
ECLI:NL:CBB:2026:441Laag
Bestuursrecht
Europees bestuursrecht

ECLI:NL:CBB:2026:441, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 15-09-2026, 25/55

College van Beroep voor het bedrijfsleven15 sep 2026OverheidVergunningen
28/100Bekijk
ECLI:NL:CBB:2026:430Middel
Bestuursrecht
Europees bestuursrecht

ECLI:NL:CBB:2026:430, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 15-09-2026, 25/353

College van Beroep voor het bedrijfsleven15 sep 2026OverheidHandhaving
32/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied