Bijzondere bijstand afgewezen: GKA-lening geldt als voorliggende voorziening
ECLI:NL:CRVB:2026:939, Centrale Raad van Beroep, 14-07-2026, 25/1189 PW-PV
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand. Kosten van woninginrichting. Kredietverlening. Voorliggende voorziening. Kredietverlening door een kredietbank kan worden aangemerkt als een voorliggende voorziening als bedoeld in art. 5, onder e, PW. Onbestreden is dat appellant de lening bij de GKA niet alleen heeft geaccepteerd maar ook al heeft afgelost. Daarmee staat vast dat deze lening een passende en toereikende voorliggende voorziening is.
Kern van de zaak
Appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor woninginrichting (bed en vloerbedekking, €2.000,-) op grond van de Participatiewet. Het college wees de aanvraag af omdat appellant een lening bij de Gemeentelijke Kredietbank Amsterdam (GKA) kon afsluiten. Appellant ging in bezwaar, beroep en hoger beroep tegen deze afwijzing.
Beslissing van de rechter
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de bijzondere bijstand. Doorslaggevend is dat de GKA-lening een passende en toereikende voorliggende voorziening is in de zin van artikel 5 aanhef en onder e PW, temeer nu appellant de lening heeft geaccepteerd én reeds volledig heeft afgelost.
Impactscore
LaagHet betreft een toepassing van vaste jurisprudentie op een individuele zaak zonder nieuwe rechtsvragen; de uitkomst is geheel in lijn met bestaande CRvB-rechtspraak en heeft geen precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Kredietverlening door een gemeentelijke kredietbank kan als voorliggende voorziening gelden ex artikel 5 aanhef en onder e Participatiewet (vaste rechtspraak CRvB).
- 2Appellant heeft de GKA-lening geaccepteerd en volledig afgelost, waarmee de passendheid en toereikendheid van de voorziening vaststaat.
- 3Een kennelijke verschrijving (twee verschillende data in het bestreden besluit) tast de rechtmatigheid van het besluit niet aan.
- 4Persoonlijke bezwaren van appellant (wantrouwen jegens overheid, angst voor terugvordering) bieden geen juridische grond voor toewijzing van bijzondere bijstand.
- 5De aanvraag voor bijzondere bijstand ad €2.000,- voor bed en vloerbedekking is terecht afgewezen nu een adequate alternatieve financieringsmogelijkheid beschikbaar was.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat gemeentelijke kredietverlening een voorliggende voorziening vormt die bijzondere bijstand uitsluit; dit voegt geen nieuwe rechtsontwikkeling toe maar consolideert bestaande jurisprudentie.
Praktische impact
Bijstandsgerechtigden die woninginrichtingskosten willen vergoed krijgen, worden verwezen naar de gemeentelijke kredietbank; acceptatie en aflossing van zo'n lening bevestigt achteraf dat bijzondere bijstand niet nodig was.
Onderwerp-impact
Voor de sociale zekerheids- en bijstandspraktijk bevestigt deze zaak dat gemeenten consistent kunnen verwijzen naar GKA-leningen als toereikend alternatief voor bijzondere bijstand bij inrichtingskosten.
Samenvatting
Deze zaak betreft een hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep tegen de afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet. Appellant had bijstand gevraagd voor woninginrichtingskosten — een bed en vloerbedekking — ter waarde van €2.000,-. Het college van burgemeester en wethouders wees de aanvraag af omdat appellant een lening kon afsluiten bij de Gemeentelijke Kredietbank Amsterdam (GKA), en handhaafde dit standpunt na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde. In hoger beroep voerde appellant persoonlijke en praktische bezwaren aan: hij wilde geen juridische procedures, vreesde onterechte terugvordering op basis van eerdere ervaringen, en had wantrouwen jegens de overheid. Daarnaast wees hij op een kennelijke verschrijving in het bestreden besluit (twee verschillende data). De Centrale Raad van Beroep verwerpt alle beroepsgronden. Op basis van vaste jurisprudentie oordeelt de Raad dat kredietverlening door een gemeentelijke kredietbank kan worden aangemerkt als een voorliggende voorziening in de zin van artikel 5 aanhef en onder e van de Participatiewet. Beslissend is bovendien dat appellant de GKA-lening niet alleen heeft geaccepteerd, maar ook al volledig heeft afgelost. Dit bevestigt dat de lening voor hem een passende en toereikende voorziening was, zodat er geen grond bestaat voor bijzondere bijstand. De verschrijving in het besluit doet aan de rechtmatigheid niet af, nu appellant daardoor niet is benadeeld. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.