Terugvordering bijstand blijft ondanks persoonlijke omstandigheden in stand
ECLI:NL:CRVB:2026:938, Centrale Raad van Beroep, 14-07-2026, 24/2641 PW-PV
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Intrekking en terugvordering van bijstand. Langer verblijf in het buitenland. Schending inlichtingenverplichting. Geen dringende redenen. De terugvordering is niet ontstaan of opgelopen door toedoen van de Svb, maar het gevolg is van het feit dat appellante was uitgesloten van het recht op bijstand en zij bovendien de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van haar vertrek naar en verblijf in Suriname. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de schending van de inlichtingenverplichting haar niet te verwijten valt. De persoonlijke omstandigheden van appellante hoefden ook overigens voor de Svb geen aanleiding te zijn om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering. De persoonlijke situatie is niet ontstaan door de terugvordering en ook niet daardoor verergerd.
Kern van de zaak
Appellante ontving bijstand terwijl zij verblijf in Suriname niet meldde bij de SVB, waardoor zij was uitgesloten van het recht op bijstand. De SVB vorderde de ten onrechte betaalde bijstand terug. Appellante betwistte de terugvordering met een beroep op haar persoonlijke omstandigheden en gebrek aan verwijtbaarheid.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd; de terugvordering blijft in stand. Doorslaggevend is dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door haar vertrek en verblijf in Suriname niet te melden, en dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar dit niet te verwijten valt.
Impactscore
LaagDe uitspraak past bestaande rechtspraak toe zonder nieuwe rechtsnormen te stellen; het betreft een feitelijke toepassing van bekende regels omtrent de inlichtingenverplichting en de terugvordering in de Participatiewet.
Belangrijkste punten
- 1Appellante heeft de inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te maken van haar vertrek naar en verblijf in Suriname.
- 2Stress en emotionele omstandigheden ontheffen appellante niet van de meldingsplicht, nu niet is gebleken dat melding onmogelijk was.
- 3De financiële gevolgen van de terugvordering wegen niet op tegen het terugvorderingsbelang, mede omdat bij invordering de beslagvrije voet van toepassing is (art. 475b–475e Rv).
- 4Persoonlijke omstandigheden hoeven de SVB niet tot gehele of gedeeltelijke afzien van terugvordering te brengen, nu deze omstandigheden niet door de terugvordering zijn ontstaan of verergerd.
- 5De terugvordering is niet aan toedoen van de SVB te wijten, maar uitsluitend het gevolg van de schending door appellante zelf.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van de inlichtingenverplichting in de Participatiewet en de beperkte ruimte voor dringende redenen om van terugvordering af te zien. De bescherming via de beslagvrije voet wordt uitdrukkelijk aangewezen als het aangewezen instrument voor financiële bescherming bij invordering.
Praktische impact
Bijstandsontvangers die verblijf in het buitenland niet melden, lopen een reëel risico op volledige terugvordering, ook bij persoonlijke problematiek. De beslagvrije voet biedt bij invordering enige bescherming, maar voorkomt de terugvordering zelf niet.
Onderwerp-impact
Voor de uitvoeringspraktijk van de SVB bij de Participatiewet benadrukt deze uitspraak dat persoonlijke en financiële omstandigheden van de schuldenaar slechts in uitzonderlijke gevallen aanleiding kunnen geven om van terugvordering af te zien.
Samenvatting
In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep uitspraak gedaan in hoger beroep over de terugvordering van bijstand op grond van de Participatiewet. Appellante had bijstand ontvangen terwijl zij gedurende een periode in Suriname verbleef, hetgeen zij niet had gemeld bij de SVB. Omdat zij als gevolg van dit verblijf was uitgesloten van het recht op bijstand en bovendien de inlichtingenverplichting had geschonden, vorderde de SVB de ten onrechte betaalde uitkering terug. Appellante verzette zich hiertegen en voerde aan dat de schending haar niet te verwijten viel vanwege de stressvolle en emotionele omstandigheden waaronder zij destijds verkeerde, en dat de financiële gevolgen van de terugvordering onevenredig zwaar waren. De Raad verwierp alle gronden. Ten eerste oordeelde de Raad dat de stressvolle situatie niet betekent dat appellante de SVB niet had kúnnen informeren; gesteld noch gebleken is dat melding onmogelijk was. Daarmee heeft appellante de verwijtbaarheid van de schending onvoldoende weerlegd. Ten tweede wegen de financiële gevolgen van de terugvordering niet op tegen het belang van terugvordering, omdat bij de daadwerkelijke invordering de wettelijke bescherming van de beslagvrije voet (artikelen 475b–475e Rv) van toepassing is. Ten derde hoefden de persoonlijke omstandigheden van appellante de SVB niet te bewegen tot geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering, nu deze omstandigheden noch zijn ontstaan door, noch zijn verergerd door de terugvordering. De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden, waardoor de terugvordering ongewijzigd in stand blijft en appellante geen aanspraak heeft op vergoeding van proceskosten of griffierecht. De uitspraak illustreert de strenge handhaving van de inlichtingenverplichting in het bijstandsrecht en de beperkte ruimte voor persoonlijke of financiële omstandigheden als grond voor matiging.