Bijstandsherziening deels vernietigd wegens onvoldoende onderbouwing
ECLI:NL:CRVB:2026:807, Centrale Raad van Beroep, 02-06-2026, 24/1195 PW
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Herziening en terugvordering van bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Verzwegen inkomsten. Opvraag bankafschriften over periode van twee jaar. Ongerechtvaardigde inbreuk op privéleven. Vaststaat dat het college – na dossieronderzoek en raadpleging van de RDW – als eerstvolgend onderzoeksmiddel zowel informatie over de drie auto’s als de bankafschriften over periode 1 bij appellante heeft opgevraagd en naar aanleiding van de uit die bankafschriften naar voren gekomen bijschrijvingen ook bankafschriften over periode 2. Ter zitting heeft het college toegelicht dat direct is overgegaan tot het opvragen van bankafschriften over een langere periode dan drie maanden omdat op grond van de anonieme melding, de registratie van drie kentekens op naam van appellante en een in 2018 langer dan toegestaan verblijf in het buitenland twijfel bestond over de rechtmatigheid van de verleende bijstand. Anders dan het college stelt, zijn deze feiten en omstandigheden noch op zichzelf noch in samenhang bezien voldoende om redelijkerwijs te kunnen twijfelen aan de juistheid en volledigheid van de door appellante vanaf 1 januari 2020 verstrekte inlichtingen over haar financiële situatie.
Kern van de zaak
Een bijstandsgerechtigde ontving sinds 2011 een PW-uitkering. Na een anonieme melding over buitenlandverblijf, een dure auto en werk in een hotel startte de gemeente Noordenveld een rechtmatigheidsonderzoek. Op basis van bankafschriften met bijschrijvingen van kinderen, een derde en wisselende alimentatie herzag het college de bijstand en vorderde het bedragen terug.
Beslissing van de rechter
De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep gegrond en vernietigt de herziening en terugvordering over de periode 1 oktober 2018 tot en met 15 december 2021. De besluiten van 23 januari 2023 en 9 mei 2023 worden voor dat gedeelte herroepen, omdat het college de herziening over die specifieke periode onvoldoende heeft onderbouwd.
Impactscore
LaagDe uitspraak betreft een feitelijk-specifieke toepassing van bestaand bijstandsrecht op een individueel geval bij de Centrale Raad van Beroep; er worden geen nieuwe rechtsnormen gesteld en de juridische kaders zijn reeds uitgekristalliseerd.
Belangrijkste punten
- 1Anonieme melding leidde tot rechtmatigheidsonderzoek naar bijstandsuitkering van appellante
- 2Onderzoek richtte zich op RDW-gegevens (drie kentekens op naam) en bankafschriften over meerdere perioden
- 3Bijschrijvingen van kinderen, derde en wisselende alimentatie vormden aanleiding voor verdere informatievraag
- 4Herziening en terugvordering over de periode 1 oktober 2018 t/m 15 december 2021 worden vernietigd en herroepen
- 5Centrale Raad treedt zelf in de zaak en bepaalt dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat bijstandsherzieningsbesluiten per afzonderlijke periode voldoende feitelijk en juridisch onderbouwd moeten zijn; een onvoldoende gemotiveerde herziening over een deelperiode wordt ook bij een gedeeltelijke terugvordering zelfstandig vernietigd en herroepen.
Praktische impact
Appellante hoeft over de periode 1 oktober 2018 tot en met 15 december 2021 geen bijstand terug te betalen; het college zal de terugvordering moeten herberekenen op basis van de resterende, niet-vernietigde herzieningsperiode.
Onderwerp-impact
Voor bijstandsgerechtigden verduidelijkt deze uitspraak dat gemeenten per deelperiode de feitelijke grondslag van een herziening aannemelijk moeten maken en dat een gedeeltelijke vernietiging van een herzieningsbesluit directe gevolgen heeft voor de terugvorderingsbeslissing.
Samenvatting
Appellante ontving vanaf 2011 een bijstandsuitkering, aanvankelijk naar de norm voor gehuwden en later als alleenstaande ouder. In april 2021 bereikte de gemeente Noordenveld een anonieme melding dat appellante zes weken in het buitenland zou hebben verbleven, haar kinderen alleen thuis had gelaten, ruim leefde, een dure auto reed en werkte in een hotel. Dit leidde in maart 2022 tot een rechtmatigheidsonderzoek waarbij dossieronderzoek werd verricht en het RDW-kentekenregister werd geraadpleegd. Daaruit bleek dat appellante drie kentekens op haar naam had (gehad) gehad. Op basis van de opgevraagde bankafschriften over twee perioden constateerde de onderzoeker een patroon van bijschrijvingen van haar kinderen, een derde en wisselende alimentatiebedragen. Het college herzag vervolgens de bijstand over meerdere perioden en vorderde de ten onrechte betaalde uitkering terug. Na bezwaar handhaafde het college zijn standpunt bij besluit van 19 oktober 2023, waarna appellante beroep instelde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar appellante stelde hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep. De juridische kernvraag was of het college de herziening over de periode 1 oktober 2018 tot en met 15 december 2021 voldoende had onderbouwd. De Centrale Raad oordeelt van niet: het hoger beroep slaagt voor die deelperiode. De Raad vernietigt de aangevallen uitspraak, verklaart het beroep gegrond, vernietigt het besluit van 19 oktober 2023 voor zover het de herziening en terugvordering over genoemde periode betreft, en herroept de onderliggende primaire besluiten van 23 januari 2023 en 9 mei 2023 voor datzelfde deel. De uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit. Het college wordt opgedragen nadere stappen te nemen ten aanzien van de resterende terugvordering.