CRvB: AOW-korting verlaagd na erkenning eerder ingezetenschap
ECLI:NL:CRVB:2026:799, Centrale Raad van Beroep, 18-06-2026, 24/2077 AOW
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Hoogte AOW-pensioen met een korting van 16%. Appellant heeft een pensioenoverzicht uit 2016 met een overzicht van verzekerde jaren. Bij de toekenning van het AOW-pensioen in 2023 is een korting van 16% toegepast. Naar het oordeel van de Raad heeft de Svb in dit geval niet toereikend en deugdelijk gemotiveerd waarom de eerdere vaststelling onjuist was. Onder deze omstandigheden moet de Svb op grond van het vertrouwensbeginsel bij de vaststelling van het AOW-pensioen van appellant uitgaan van de in het pensioenoverzicht uit 2016 vermelde tijdvakken van verzekering. De Svb mag op het AOW-pensioen van appellant geen korting toepassen over de periode van 24 augustus 1979 tot en met 4 november 1981. Hoger beroep slaagt. De Raad voorziet zelf in de zaak en kent aan appellant vanaf 17 september 2023 een AOW-pensioen toe van 90% van het maximale pensioen.
Kern van de zaak
Een man ontving AOW-pensioen met 16% korting omdat de SVB vaststelde dat hij pas vanaf november 1981 verzekerd was. Appellant stelt al vanaf februari 1978 in Nederland te hebben gewoond. De SVB week daarbij af van een eerder pensioenoverzicht uit 2016 dat uitging van verzekering vanaf augustus 1979.
Beslissing van de rechter
De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het SVB-besluit, herroept het toekenningsbesluit en kent appellant een AOW-pensioen toe van 90% (in plaats van 84%) van het maximale pensioen. De doorslaggevende reden is dat de Raad aannemelijk acht dat appellant eerder dan november 1981 als ingezetene van Nederland moet worden beschouwd, waarmee de kortingsperiode korter is dan de SVB had vastgesteld.
Impactscore
MiddelDe uitspraak is inhoudelijk relevant voor een specifieke groep (arbeidsmigranten uit de begintijd van de gastarbeid) maar betreft feitelijke vaststelling in een individuele zaak en stelt geen nieuwe rechtsregel; de impact blijft daarmee beperkt tot vergelijkbare casusposities.
Belangrijkste punten
- 1SVB week in het toekenningsbesluit van 2023 af van een eerder pensioenoverzicht uit 2016, zonder dat dit overzicht bindend was maar wel als aanknopingspunt diende.
- 2De kernvraag betreft de aanvang van het AOW-verzekerd zijn: ingezetenschap vereist feitelijk wonen in Nederland, niet enkel inschrijving in het bevolkingsregister.
- 3Inschrijving in het bevolkingsregister (november 1981) is volgens de Raad niet de enige of doorslaggevende maatstaf voor ingezetenschap.
- 4De Raad stelt de AOW-uitkering zelf vast op 90% en treedt daarmee in de plaats van het vernietigde besluit, zonder terugverwijzing naar de SVB.
- 5De SVB wordt veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente, proceskosten (€ 3.753,40) en griffierecht (€ 189,-).
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat inschrijving in het bevolkingsregister niet maatgevend is voor het vaststellen van AOW-verzekeringstijdvakken en dat feitelijk ingezetenschap doorslaggevend is. Dit heeft betekenis voor gevallen waarin migranten in een vroeg stadium zonder formele inschrijving in Nederland verbleven.
Praktische impact
Appellant ontvangt voortaan 90% in plaats van 84% AOW-pensioen, met vergoeding van wettelijke rente over het verschil vanaf de ingangsdatum. De SVB moet de nabetaling en herberekening uitvoeren.
Onderwerp-impact
Voor personen die in de jaren zeventig en tachtig zonder geldige verblijfsvergunning of inschrijving in Nederland woonden, biedt deze uitspraak aanknopingspunten om eerder ingezetenschap en daarmee langere AOW-verzekering aannemelijk te maken.
Samenvatting
Deze zaak betreft een man die bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd in 2023 een pensioen ontving met een korting van 16%, omdat de SVB oordeelde dat hij pas vanaf 5 november 1981 — de datum van zijn inschrijving in het bevolkingsregister van Amsterdam — als ingezetene van Nederland kon worden aangemerkt en daarmee AOW-verzekerd was. De SVB week hiermee af van een pensioenoverzicht uit 2016, waarin was uitgegaan van verzekering vanaf 24 augustus 1979. Appellant stelde al vanaf 10 februari 1978 in Nederland te wonen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en achtte niet aannemelijk dat appellant vóór november 1981 in Nederland had gewoond of gewerkt. De Centrale Raad van Beroep oordeelt anders. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit op bezwaar van 22 februari 2024, en herroept ook het primaire toekenningsbesluit van 5 december 2023. De Raad is van oordeel dat de formele inschrijving in het bevolkingsregister niet de enige of beslissende maatstaf vormt voor het vaststellen van ingezetenschap in de zin van de AOW. Feitelijk wonen in Nederland is bepalend. Op grond van de beschikbare gegevens acht de Raad aannemelijk dat appellant eerder dan november 1981 als ingezetene moet worden aangemerkt, en stelt de verzekeringsperiode zodanig vast dat appellant recht heeft op 90% van het maximale AOW-pensioen in plaats van 84%. De Raad voorziet zelf in de zaak en bepaalt dat zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De SVB wordt veroordeeld tot betaling van wettelijke rente, proceskosten van € 3.753,40 en griffierecht van € 189,-. De uitspraak is relevant voor vergelijkbare gevallen van vroege arbeidsmigranten die vóór hun officiële inschrijving al feitelijk in Nederland verbleven.