Pgb geweigerd na eerder misbruik trekkingsrecht Wlz
ECLI:NL:CRVB:2026:790, Centrale Raad van Beroep, 17-06-2026, 25/1128 WLZ
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Afwijzing aanvraag om pgb voor een tijdelijk verblijf in het buitenland op grond van de Wlz. Het zorgkantoor heeft de aanvraag terecht geweigerd, omdat appellante in het verleden de aan een pgb verbonden verplichtingen heeft geschonden.
Kern van de zaak
Een vrouw met een Wlz-indicatie vroeg in 2023 een tijdelijk persoonsgebonden budget (pgb) aan voor zorg tijdens een verblijf in het buitenland. Eerder waren haar pgb's voor 2018 en 2019 ingetrokken omdat zij haar eigen rekeningnummer had opgegeven als rekeningnummer van de zorgverlener, in strijd met het trekkingsrecht. Die intrekkingen stonden in 2023 onherroepelijk vast.
Beslissing van de rechter
De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep van appellante ongegrond verklaard; de weigering van het tijdelijke pgb wordt in stand gehouden. Doorslaggevend is dat appellante eerder onherroepelijk in strijd met het trekkingsrecht heeft gehandeld door haar eigen rekeningnummer op te geven als dat van de zorgverlener, hetgeen een grond oplevert om een nieuw pgb te weigeren.
Impactscore
MiddelDe uitspraak betreft een individuele zaak maar bevestigt een voor de pgb-praktijk relevante lijn: eerdere schendingen van het trekkingsrecht blokkeren ook latere pgb-aanvragen. De rechtsvraag is niet geheel nieuw maar de toepassing heeft signaalwaarde voor vergelijkbare gevallen.
Belangrijkste punten
- 1Appellante is geïndiceerd voor Wlz-zorg en heeft in beginsel recht op zorg in natura, maar vroeg een tijdelijk pgb aan voor buitenlandverblijf.
- 2Eerder pgb's (2018-2019) zijn ingetrokken wegens schending van artikel 5.18 aanhef en onder e van de Regeling langdurige zorg (gebruik eigen rekeningnummer in strijd met trekkingsrecht).
- 3De eerdere intrekkingen staan onherroepelijk vast na CRvB-uitspraak van 11 juli 2023 (ECLI:NL:CRVB:2023:1305).
- 4De Raad weigert een nieuw pgb op grond van de vastgestelde eerdere schending van de pgb-verplichtingen.
- 5De uitspraak verwijst naar artikel 3.3.5 Wlz en artikelen 3.7.1 en 3.7.2 Besluit langdurige zorg als wettelijke grondslag voor de weigering.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat een onherroepelijk vastgestelde schending van het trekkingsrecht een weigeringsgrond vormt voor een nieuw pgb op grond van de Wlz, en dat eerdere intrekkingen ook bij latere aanvragen als belemmering gelden.
Praktische impact
Appellante kan geen pgb verkrijgen voor zorginkoop tijdens buitenlandverblijf en is aangewezen op zorg in natura; personen met een pgb-intrekking wegens misbruik worden ook bij toekomstige aanvragen geconfronteerd met die voorgeschiedenis.
Onderwerp-impact
Voor de langdurige zorgpraktijk verduidelijkt deze uitspraak dat het trekkingsrechtsysteem strikt wordt gehandhaafd en dat overtredingen langdurige gevolgen hebben voor de toegang tot pgb-financiering.
Samenvatting
In deze zaak stond de vraag centraal of een vrouw met een Wlz-indicatie recht had op een tijdelijk persoonsgebonden budget (pgb) voor zorg tijdens een verblijf in het buitenland, ondanks het feit dat haar eerdere pgb's waren ingetrokken wegens misbruik. Appellante, geboren in 1990, is geïndiceerd voor langdurige zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). In 2018 en 2019 waren haar pgb's ingetrokken omdat zij bij de Sociale Verzekeringsbank haar eigen rekeningnummer had opgegeven als rekeningnummer van haar zorgverlener. Dit handelen was in strijd met het trekkingsrecht en met artikel 5.18, aanhef en onder e, van de Regeling langdurige zorg. Met een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 11 juli 2023 (ECLI:NL:CRVB:2023:1305) stonden deze intrekkingen onherroepelijk vast. Op 23 mei 2023 diende appellante een nieuwe aanvraag in voor een tijdelijk pgb in verband met een buitenlandverblijf. Het zorgkantoor weigerde deze aanvraag, waarop appellante beroep en vervolgens hoger beroep instelde. De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep op 17 juni 2026 ongegrond verklaard en de weigering van het pgb in stand gelaten. De Raad oordeelde dat de onherroepelijk vastgestelde schending van de pgb-verplichtingen — in het bijzonder de overtreding van het trekkingsrecht — een wettelijke weigeringsgrond oplevert op basis van artikel 3.3.5 Wlz en de artikelen 3.7.1 en 3.7.2 van het Besluit langdurige zorg. De uitspraak onderstreept dat eerdere schendingen van de regels rond het trekkingsrecht structurele gevolgen hebben voor de toegang tot pgb-financiering, ook bij latere aanvragen voor een tijdelijk pgb. Appellante blijft aangewezen op zorg in natura voor de invulling van haar Wlz-recht.