Energietoeslag terecht geweigerd bij ontbreken eigen energiemeter
ECLI:NL:CRVB:2026:771, Centrale Raad van Beroep, 09-06-2026, 23/3266 PW
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Afwijzing eenmalige energietoeslag 2022. Beleid. Definitie woning. Geen discriminatie. Geen strijd met evenredigheidsbeginsel. Niet in geschil is dat er sprake is van ongelijke behandeling door minima in een woongelegenheid zonder eigen energiemeter uit te sluiten van energietoeslag. Voor deze groep geldt, anders dan voor personen met een laag inkomen met een zelfstandige woongelegenheid voorzien van een eigen energiemeter, niet de grofmazige verwachting dat zij met gestegen energiekosten worden geconfronteerd. Met deze afbakening blijft het college binnen de hem door de wetgever verleende beleidsvrijheid en is het gemaakte onderscheid in de beleidsregels objectief gerechtvaardigd. Het college maakt dan ook geen inbreuk op het verbod van discriminatie.
Kern van de zaak
Een bijstandsgerechtigde huurster van een kamer waarbij gas, water en elektra in de huur zijn inbegrepen, vroeg de eenmalige energietoeslag van €1.800 aan voor 2022. Het college weigerde de toeslag omdat appellante geen eigen gas- en/of elektrameter had. Appellante ging hiertegen in bezwaar en hoger beroep.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het college de energietoeslag mocht weigeren op grond van het ontbreken van een eigen energiemeter, omdat de PW ruimte biedt voor een zekere ruwheid in de vormgeving van de toeslag en het college daarmee mocht waarborgen dat alleen personen met daadwerkelijk gestegen energielasten in aanmerking komen.
Impactscore
LaagDe uitspraak betreft een bevestiging van bestaand beleid rondom de inmiddels aflopende eenmalige energietoeslag en introduceert geen nieuwe rechtsnormen. De betekenis is vooral illustratief voor de uitleg van discretionaire bevoegdheden bij tijdelijke steunmaatregelen.
Belangrijkste punten
- 1De eenmalige energietoeslag (art. 35 lid 4 PW) betreft een discretionaire bevoegdheid van het college, die met een zekere ruwheid mag worden ingevuld.
- 2De voorwaarde van een eigen gas- en/of elektrameter is een toelaatbaar criterium om te waarborgen dat de toeslag terechtkomt bij personen met daadwerkelijk gestegen energielasten.
- 3Appellante huurde een kamer waarbij energiekosten in de huurprijs waren inbegrepen; zij had geen eigen energiemeter.
- 4Het beroep op het evenredigheidsbeginsel (art. 3:4 lid 2 Awb) slaagde niet wegens onvoldoende onderbouwing.
- 5De Raad bevestigt de beleidsvrijheid van gemeenten bij de invulling van de energietoeslag, zolang dit binnen de grenzen van de PW blijft.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat gemeenten bij de invulling van de discretionaire bevoegdheid voor de eenmalige energietoeslag het criterium van een eigen energiemeter als toelaatbare afbakeningsregel mogen hanteren. Dit geeft duidelijkheid over de reikwijdte van de beoordelingsruimte van colleges op grond van artikel 35 lid 4 PW.
Praktische impact
Huurders van kamers of woningen waarbij energiekosten bij de huur zijn inbegrepen en die geen eigen energiemeter hebben, komen op basis van dit oordeel niet in aanmerking voor de eenmalige energietoeslag, ook al kunnen zij indirect zijn geraakt door stijgende energieprijzen via hogere huurprijzen.
Onderwerp-impact
Voor personen in een beschermde bewindssituatie of met een kamerhuursituatie zonder eigen energiemeter bevestigt deze uitspraak dat het ontbreken van een directe energierelatie met een leverancier doorslaggevend kan zijn voor uitsluiting van energieregelingen.
Samenvatting
Deze zaak betreft een bijstandsgerechtigde alleenstaande die een kamer huurde waarbij energiekosten bij de huur waren inbegrepen. Zij had geen eigen gas- en/of elektrameter. In oktober 2022 vroeg zij de eenmalige energietoeslag van €1.800 aan op grond van artikel 35 lid 4 van de Participatiewet (PW). Het college weigerde de toeslag omdat appellante niet beschikte over een eigen energiemeter, een voorwaarde die het college had opgenomen in zijn beleid. Na een ongegrond bezwaar stelde appellante hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep. De centrale juridische vraag was of het college de energietoeslag mocht weigeren op grond van het ontbreken van een eigen energiemeter, en of dit besluit in strijd was met het evenredigheidsbeginsel. De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep ongegrond. De Raad stelt vast dat de PW het college een discretionaire bevoegdheid geeft bij het toekennen van de eenmalige energietoeslag, en dat deze bevoegdheid met een zekere ruwheid mag worden ingevuld. De voorwaarde van een eigen energiemeter is een toelaatbare beleidsmatige afbakening: het college mocht hiermee waarborgen dat de toeslag uitsluitend terechtkomt bij personen van wie aannemelijk is dat zij daadwerkelijk zijn geconfronteerd met gestegen energielasten. Omdat de energiekosten van appellante in haar huurprijs waren opgenomen, had zij geen directe blootstelling aan gestegen energietarieven. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4 lid 2 Awb slaagde niet, nu appellante onvoldoende had onderbouwd dat de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig waren in verhouding tot de doelen die het college nastreefde. De uitspraak bevestigt de ruime beleidsvrijheid van gemeenten bij de uitvoering van tijdelijke steunmaatregelen binnen de kaders van de PW.