NOW-subsidie en transitievergoedingscompensatie deels herzien en teruggevorderd
ECLI:NL:CRVB:2026:748, Centrale Raad van Beroep, 18-06-2026, 24/1959 NOW
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Het gaat in deze zaken over de wijziging van de subsidievaststellingen op grond van de NOW-1, NOW-2 en NOW-3 (derde tranche), om de lagere vaststelling van de subsidie op grond van de NOW-3 (vierde tranche) en daarop gebaseerde terugvorderingen. De minister heeft aan de wijziging en lagere vaststelling ten grondslag gelegd dat uit onderzoek is gebleken dat een medewerker niet werkzaam is geweest op basis van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, en dat in de vaststellingsbesluiten en het verleningsbesluit ten onrechte is uitgegaan van de door appellanten opgevoerde loonsom waarin het loon van deze betrokkene was opgenomen. De Raad oordeelt dat de minister bevoegd was de subsidievaststellingen te wijzigen, de subsidie lager vast te stellen en de onverschuldigd betaalde subsidiebedragen terug te vorderen. Het gaat in deze uitspraak ook om herziening en terugvordering van de compensatie transitievergoeding die zijn gebaseerd op dezelfde overwegingen ten aanzien van de privaatrechtelijke dienstbetrekking van de betreffende medewerker. De Raad volgt appellanten niet in hun betwisting hiervan en bevestigt de aangevallen uitspraak.
Kern van de zaak
Twee appellante ondernemingen (appellante 1 en appellante 2) ontvingen NOW-subsidies en compensatie transitievergoeding (CRTV) tijdens de coronacrisis. De minister en het UWV herzagen de vastgestelde bedragen en vorderden terug, onder meer omdat de opgevoerde loonsom onjuist zou zijn. Appellanten gingen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
Beslissing van de rechter
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken: de herziening en terugvordering van zowel de NOW-subsidies als de compensatie transitievergoeding zijn terecht. Doorslaggevend is dat de opgevoerde loonsom door appellante 1 niet klopte en dat de kwalificatie van de arbeidsverhouding van de betreffende medewerker als privaatrechtelijke dienstbetrekking door appellanten niet succesvol is betwist.
Impactscore
LaagDe uitspraak past in een reeds uitgebreide stroom van NOW-gerelateerde jurisprudentie en stelt geen nieuwe rechtsnormen; de beslissing is zaaksspecifiek en bevestigt bestaand beleid rond loonsomcontrole en kwalificatie dienstbetrekking.
Belangrijkste punten
- 1Appellante 1 ontving voorschotten op NOW-1, NOW-2 en NOW-3 subsidies van in totaal € 33.943,- op basis van afzonderlijke aanvragen.
- 2De minister stelde bij vaststelling vast dat ten onrechte is uitgegaan van de door appellante 1 opgevoerde loonsom, wat leidde tot herziening en terugvordering.
- 3Het UWV had aanvankelijk een compensatie transitievergoeding vastgesteld van € 3.755,84, maar herzag dit nadien op basis van dezelfde kwalificatievraag over de arbeidsverhouding.
- 4De Raad oordeelt dat de herziening en terugvordering van de CRTV op dezelfde grondslag rusten als de NOW-herziening, namelijk de privaatrechtelijke dienstbetrekking van de betreffende medewerker.
- 5Verzoeken om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente door appellanten worden niet gehonoreerd nu de hoger beroepen ongegrond zijn.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat onjuiste loonsomopgave en discussie over de kwalificatie van een arbeidsverhouding (privaatrechtelijke dienstbetrekking) directe grond bieden voor herziening en terugvordering van zowel NOW-subsidies als CRTV-compensatie. Dit sluit aan bij vaste lijn in NOW-jurisprudentie over de bewijslast bij de werkgever.
Praktische impact
Appellanten dienen de reeds ontvangen NOW-voorschotten en CRTV-compensatie (gedeeltelijk) terug te betalen; hun verzoeken om wettelijke rente als schadevergoeding worden afgewezen. Werkgevers die NOW-subsidies ontvingen worden herinnerd aan het belang van een correcte en verifieerbare loonsomadministratie.
Onderwerp-impact
Voor werkgevers die NOW-subsidies en/of compensatie transitievergoeding hebben ontvangen, benadrukt deze uitspraak het risico van herziening wanneer de arbeidsrechtelijke kwalificatie van medewerkers of de opgevoerde loonsom achteraf ter discussie staat.
Samenvatting
Deze uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 juni 2026 betreft twee ondernemingen (appellante 1 en appellante 2) die tijdens de coronacrisis subsidies hebben ontvangen op grond van de Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-1, NOW-2 en NOW-3) en een compensatie transitievergoeding (CRTV) via het UWV. Appellante 1 ontving in totaal € 33.943,- aan NOW-voorschotten; het UWV stelde aanvankelijk een CRTV-compensatie vast van € 3.755,84. Na vaststelling herzag de minister de NOW-subsidies omdat de door appellante 1 opgevoerde loonsom onjuist bleek. Het UWV herzag vervolgens ook de CRTV-compensatie, op dezelfde grondslag: de kwalificatie van de arbeidsverhouding van een betreffende medewerker als privaatrechtelijke dienstbetrekking was niet komen vast te staan op de wijze zoals appellanten hadden betoogd. De bezwaren van appellante 1 werden door de minister ongegrond verklaard; de rechtbank bevestigde dit in de aangevallen uitspraken. In hoger beroep voerden appellanten aan dat de gehanteerde kwalificatie van de arbeidsverhouding onjuist was en betwistten zij de grondslag voor herziening en terugvordering. De Centrale Raad van Beroep volgt appellanten hierin niet. De Raad bevestigt de aangevallen uitspraken in hun geheel: zowel de herziening van de NOW-subsidies als de herziening en terugvordering van de CRTV zijn terecht, nu de opgevoerde loonsom niet klopte en de betwisting van de privaatrechtelijke dienstbetrekking niet slaagt. De verzoeken van appellanten om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente worden eveneens afgewezen. De uitspraak past in een brede stroom van NOW-rechtspraak en stelt geen nieuwe normen, maar benadrukt opnieuw het belang van een deugdelijke loonsomadministratie en een correcte arbeidsrechtelijke kwalificatie van medewerkers voor werkgevers die van coronasteunmaatregelen gebruik hebben gemaakt.