JurispRadar
ECLI:NL:CRVB:2026:643Middel38/100

CRvB vernietigt WIA-dagloonbesluit wegens onjuiste startersberekening

ECLI:NL:CRVB:2026:643, Centrale Raad van Beroep, 20-05-2026, 21/111 WIA

Centrale Raad van BeroepUitspraak: 20 mei 2026Publicatie: 21 mei 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:21/111 WIA
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Arbeidsrelaties
Overheid
Wia
Arbeidsongeschiktheid
Redelijke Termijn
Dagloonbesluit
Dagloon

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv het dagloon van appellant voor zijn WIAuitkering per 16 december 2019 terecht heeft vastgesteld op € 79,91. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant niet kan worden aangemerkt als een starter als bedoeld in het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen en dat er geen strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De Raad komt tot het oordeel dat de dagloonberekening van het Uwv in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en draagt het Uwv op een nieuwe beslissing te nemen.

Kern van de zaak

Een werknemer werd na ziekmelding in december 2017 arbeidsongeschikt verklaard en ontving een WGA-loonaanvullingsuitkering. Het UWV berekende het dagloon op basis van een referteperiode waarin ook loon van een tweede werkgever (met een vierweeks-aangiftetijdvak) viel, en weigerde hem als 'starter' aan te merken. Appellant bestreed de hoogte van het vastgestelde dagloon.

Beslissing van de rechter

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit over de hoogte van het dagloon. De doorslaggevende reden is dat het UWV de omrekening van het gebroken aangiftetijdvak van de tweede werkgever naar een maandloon onjuist heeft toegepast op grond van artikel 16, tweede lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen.

38van 100

Impactscore

Middel

De uitspraak betreft een technische toepassing van het Dagloonbesluit bij een specifieke situatie van samenlopende dienstverbanden met afwijkende aangiftetijdvakken; relevant voor een herkenbare groep gevallen maar niet fundamenteel rechtsbepalend.

Belangrijkste punten

  • 1Het UWV weigerde appellant als 'starter' aan te merken (art. 18 Dagloonbesluit) omdat hij in de eerste maand van de referteperiode loon had genoten bij een tweede werkgever.
  • 2De tweede werkgever hanteerde een vierweeks-aangiftetijdvak, waardoor sprake was van een gebroken aangiftetijdvak bij aanvang van de referteperiode.
  • 3De omrekening van het gebroken aangiftetijdvak naar een maandloon via artikel 16 lid 2 Dagloonbesluit is door het UWV onjuist uitgevoerd.
  • 4De Raad vernietigt zowel de aangevallen uitspraak als het besluit van 17 februari 2020 en het herzieningsbesluit van 4 oktober 2024 (voor zover dagloon betreft).
  • 5De Staat der Nederlanden wordt veroordeeld tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak verduidelijkt hoe artikel 16 lid 2 van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen moet worden toegepast bij gebroken aangiftetijdvakken van werkgevers met een vierweekse loonaangifteperiode. Dit is relevant voor alle gevallen waarin meerdere werkgevers met verschillende aangiftetijdvakken samenkomen in de referteperiode.

Praktische impact

Het UWV moet opnieuw een beslissing nemen over de hoogte van het dagloon, wat naar verwachting leidt tot een hoger dagloon en dus een hogere WIA-uitkering voor appellant. Tevens ontvangt appellant een schadevergoeding voor de overschreden redelijke termijn.

Onderwerp-impact

Voor uitkeringsgerechtigden met meerdere dienstverbanden bij werkgevers met verschillende aangiftetijdvakken biedt deze uitspraak aanknopingspunten om de dagloonvaststelling door het UWV te betwisten.

Samenvatting

Appellant meldde zich in december 2017 ziek vanuit een dienstverband bij een eerste werkgever en ontving vanaf december 2019 een WGA-loonaanvullingsuitkering op grond van de Wet WIA wegens volledige arbeidsongeschiktheid. Het UWV stelde het dagloon vast op € 27,25 op basis van een referteperiode van 1 december 2016 tot en met 30 november 2017, waarbij ook loon van een tweede werkgever (met vierweeks-aangiftetijdvak) werd meegenomen. Omdat appellant in december 2016 — de eerste maand van de referteperiode — loon had ontvangen bij deze tweede werkgever, erkende het UWV hem niet als 'starter' in de zin van artikel 18 van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen. De tweede werkgever hanteerde een vierweeks-aangiftetijdvak, wat leidde tot een zogeheten gebroken aangiftetijdvak: het tijdvak van 7 november tot en met 4 december 2016 viel deels buiten de referteperiode. Het UWV rekende het loon over dit gebroken tijdvak om naar een maandloon via artikel 16, tweede lid, van het Dagloonbesluit, maar deed dit volgens de Centrale Raad van Beroep onjuist. De centrale rechtsvraag was of het UWV de omrekening van het gebroken aangiftetijdvak correct had uitgevoerd en of het dagloon daarmee juist was vastgesteld. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat dit niet het geval is en vernietigt zowel de uitspraak van de rechtbank als de bestreden besluiten van 17 februari 2020 en — voor zover het de hoogte van het dagloon betreft — van 4 oktober 2024. Het UWV wordt opgedragen binnen zes weken een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. Daarnaast wordt de Staat der Nederlanden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De uitspraak heeft praktische betekenis voor verzekerden die tijdens hun referteperiode bij meerdere werkgevers met verschillende aangiftetijdvakken hebben gewerkt en waarbij de dagloonberekening daardoor complex wordt.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 28 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak
38van 100
MiddelLees toelichting ↓

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:CBB:2026:350Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:CBB:2026:350, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 28-07-2026, AWB 24/242

College van Beroep voor het bedrijfsleven28 jul 2026OverheidHandhaving
22/100Bekijk
ECLI:NL:CBB:2026:351Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:CBB:2026:351, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 28-07-2026, AWB 24/231

College van Beroep voor het bedrijfsleven28 jul 2026OverheidHandhaving
22/100Bekijk
ECLI:NL:CBB:2026:355Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:CBB:2026:355, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 28-07-2026, 26/348

College van Beroep voor het bedrijfsleven28 jul 2026OverheidHandhaving
12/100Bekijk
ECLI:NL:CBB:2026:353Middel
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht

ECLI:NL:CBB:2026:353, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 28-07-2026, 23/1730, 23/2034 en 25/760

College van Beroep voor het bedrijfsleven28 jul 2026HandhavingVergunningen
38/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied