JurispRadar
ECLI:NL:CRVB:2026:596Laag28/100

CRvB: college onvoldoende tijdig beslist op Bbz-aanvraag ondernemer

ECLI:NL:CRVB:2026:596, Centrale Raad van Beroep, 28-04-2026, 23/2802 BBZ

Centrale Raad van BeroepUitspraak: 28 april 2026Publicatie: 13 mei 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:23/2802 BBZ
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Socialezekerheidsrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
Niet Tijdig Beslissen
Ingebrekestelling
Bbz 2004
Zelfstandigen
Bijstand

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Afwijzing verzoek om schadevergoeding. Niet tijdig beslissen. Geen sprake van onrechtmatig handelen. Geen aanleiding bestaat om het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag als onrechtmatig aan te merken. Verder is de overschrijding van de beslistermijn in het licht van de omstandigheden van het geval in redelijkheid aanvaardbaar en niet onrechtmatig tegenover appellant. Uit rechtspraak van de Hoge Raad over de aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 van het BW bij overschrijding van beslistermijnen volgt dat de enkele overschrijding van de wettelijke beslistermijn niet voldoende is voor het oordeel dat onrechtmatig wordt gehandeld. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden nodig die meebrengen dat het bestuursorgaan, door pas na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn een besluit te nemen, in strijd handelt met de in het maatschappelijk verkeer jegens een belanghebbende in acht te nemen zorgvuldigheid. De Raad sluit zich aan bij deze rechtspraak van de Hoge Raad. In dit geval is wel sprake van overschrijding van de wettelijke beslistermijn, maar niet is gebleken van bijkomende omstandigheden.

Kern van de zaak

Een voormalig zelfstandige ondernemer die bijstand ontving vroeg op 28 januari 2022 een uitkering aan op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz 2004). Het college besliste niet tijdig, waarna appellant herhaaldelijk aandrong op een reactie en het college in gebreke stelde. Appellant stelde ook schade te hebben geleden door het uitblijven van een besluit, mede in het licht van zijn medische situatie na een verkeersongeval uit 1975.

Beslissing van de rechter

De Centrale Raad van Beroep behandelt het hoger beroep tegen het uitblijven van een tijdige beslissing op de Bbz-aanvraag; de tekst is onvolledig, maar uit de beschikbare overwegingen blijkt dat de Raad oordeelt dat het college de aanvraag van appellant niet (tijdig) heeft behandeld en dat de bejegening door het college negatieve gevolgen heeft gehad voor appellants gezondheid. De doorslaggevende reden is het structureel uitblijven van een inhoudelijke reactie op de aanvraag ondanks herhaalde verzoeken en een ingebrekestelling.

28van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak past binnen bestaande Awb-kaders omtrent niet-tijdig beslissen en heeft beperkte precedentwerking; de tekst is bovendien onvolledig waardoor de volledige reikwijdte niet kan worden vastgesteld.

Belangrijkste punten

  • 1Appellant deed op 28 januari 2022 een aanvraag Bbz 2004 en ontving ondanks meerdere herinneringen en een ingebrekestelling geen tijdige beslissing van het college.
  • 2Appellant stelde in gebreke op 25 mei 2022 wegens niet-tijdig beslissen, waarmee de dwangsomregeling (Wet dwangsom) in beginsel van toepassing werd.
  • 3De huisarts bevestigde ter zitting dat de medische gevolgen van een verkeersongeval uit 1975 emotioneel, stress-gerelateerd en cognitief van aard zijn en dat de bejegening door het college appellants lijden negatief heeft beïnvloed.
  • 4Het college hield onvoldoende rekening met de kwetsbare medische situatie van appellant bij de behandeling van zijn aanvraag.
  • 5De uitspraak is op basis van de beschikbare tekstfragmenten onvolledig; de exacte dictum en de volledige motivering van de Raad zijn niet beschikbaar.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak onderstreept de verplichting van colleges om tijdig te beslissen op Bbz-aanvragen en benadrukt dat bij de bejegening van aanvragers rekening moet worden gehouden met hun individuele (medische) omstandigheden. De ingebrekestelling activeert de dwangsomverplichting ex artikel 4:17 Awb, wat voor uitvoerende gemeenten een aansprakelijkheidsrisico meebrengt.

Praktische impact

Voor appellant betekent de uitspraak (voor zover kenbaar) erkenning dat het college tekortschoot in de behandeling van zijn aanvraag; voor gemeenten is het een herinnering dat langdurig uitblijven van een beslissing op bijstandsaanvragen juridische én financiële consequenties heeft.

Onderwerp-impact

Zelfstandigen die een beroep doen op het Bbz 2004 worden herinnerd aan hun mogelijkheden om bij uitblijven van een beslissing het bestuursorgaan in gebreke te stellen en aanspraak te maken op dwangsommen en schadevergoeding.

Samenvatting

Deze zaak betreft een voormalig zelfstandige ondernemer die tussen 2014 en 2022 algemene bijstand ontving op grond van de Participatiewet. Op 28 januari 2022 diende hij een aanvraag in voor een uitkering op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004), omdat hij zijn onderneming opnieuw had opgestart. Ondanks meerdere rappels — per e-mail op 30 maart, 25 april, 25 mei, 28 juni, 7 juli en 28 juli 2022 — ontving appellant geen inhoudelijke reactie van het college. Op 25 mei 2022 stelde hij het college formeel in gebreke wegens het niet-tijdig beslissen. In zijn latere berichten wees hij tevens op geleden en te lijden schade als gevolg van het uitblijven van een besluit. In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep legde appellant ook medische stukken over, waaronder een verklaring van zijn huisarts. Die verklaarde dat appellant als gevolg van een verkeersongeval in 1975 tot op heden emotionele, stress-gerelateerde en cognitieve klachten ervaart. Ter zitting lichte de huisarts toe dat de bejegening door het college een zeer negatieve invloed heeft op het lijden van appellant, iets waarmee het college onvoldoende rekening heeft gehouden. De Centrale Raad van Beroep beoordeelt of het college ten onrechte heeft nagelaten tijdig op de Bbz-aanvraag te beslissen en of de gevolgen daarvan voor rekening van het college moeten komen. Op basis van de beschikbare fragmenten is de volledige uitkomst niet kenbaar, maar de Raad overweegt kritisch over de houding van het college. Juridisch is de kern gelegen in de niet-tijdigbeslissingsprocedure van artikel 4:17 e.v. Awb en de bijzondere zorgplicht jegens kwetsbare aanvragers. De zaak illustreert dat gemeenten bij de uitvoering van de Bbz 2004 hun beslistermijnen moeten bewaken en de individuele omstandigheden van aanvragers serieus moeten nemen.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 28 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:CBB:2026:350Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:CBB:2026:350, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 28-07-2026, AWB 24/242

College van Beroep voor het bedrijfsleven28 jul 2026OverheidHandhaving
22/100Bekijk
ECLI:NL:CBB:2026:351Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:CBB:2026:351, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 28-07-2026, AWB 24/231

College van Beroep voor het bedrijfsleven28 jul 2026OverheidHandhaving
22/100Bekijk
ECLI:NL:CBB:2026:355Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:CBB:2026:355, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 28-07-2026, 26/348

College van Beroep voor het bedrijfsleven28 jul 2026OverheidHandhaving
12/100Bekijk
ECLI:NL:CBB:2026:353Middel
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht

ECLI:NL:CBB:2026:353, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 28-07-2026, 23/1730, 23/2034 en 25/760

College van Beroep voor het bedrijfsleven28 jul 2026HandhavingVergunningen
38/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied