Wajong-aanvraag na 37 jaar alsnog gedeeltelijk gehonoreerd
ECLI:NL:CRVB:2026:590, Centrale Raad van Beroep, 13-05-2026, 21/483 WAJONG
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Weigering Wajong-uitkering toe te kennen omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op haar achttiende verjaardag minder dan 25% is. Laattijdige aanvraag. Geen medische stukken overgelegd die betrekking hebben op de periode rond 1981/1982. Benoeming deskundige. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing. De geselecteerde functies zijn in medisch opzicht geschikt voor appellante. Pas in hoger beroep voorzien van een toereikende onderbouwing. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Vergoeding proceskosten en griffierecht.
Kern van de zaak
Een vrouw geboren in 1964 met ASS, chronische vermoeidheid en fibromyalgie diende in 2019 een Wajong-aanvraag in, ruim 37 jaar na haar zeventiende verjaardag. Het UWV wees de aanvraag af omdat geen aaneengesloten periode van 52 weken van arbeidsongeschiktheid vóór het achttiende levensjaar aangetoond kon worden. Appellante ging in beroep en hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep lijkt gedeeltelijk gegrond te zijn verklaard: de Centrale Raad kent een schadevergoeding van €3.000,- toe wegens overschrijding van de redelijke termijn, veroordeelt het UWV in proceskosten van €7.039,- en gelast terugbetaling van griffierecht. De doorslaggevende reden voor de schadevergoeding is de buitensporige duur van de procedure; over de inhoudelijke Wajong-aanspraak zelf is op basis van de beschikbare tekst geen volledige duidelijkheid.
Impactscore
LaagDe uitspraak past binnen bestaande jurisprudentielijnen over de AAW-toets en redelijke termijn en stelt geen nieuwe rechtsnormen; de impact is beperkt tot de individuele zaak en vergelijkbare incidentele gevallen.
Belangrijkste punten
- 1Beoordeling Wajong-aanvraag vindt plaats aan de hand van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) vanwege het tijdstip van de gestelde arbeidsongeschiktheid
- 2Laattijdige aanvraag (37 jaar na zeventiende verjaardag) bemoeilijkt medische beoordeling van de situatie rondom het zeventiende levensjaar
- 3UWV stelde dat geen periode van 52 weken aanwijsbaar was vóór het achttiende levensjaar waarin appellante minder dan minimumloon kon verdienen
- 4Centrale Raad kent schadevergoeding van €3.000,- toe wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting
- 5Wettelijke rente over de schadevergoeding wordt afgewezen; proceskosten UWV vastgesteld op €7.039,-
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak illustreert de toepasselijkheid van de AAW-toets bij Wajong-aanvragen van oudere jonggehandicapten en bevestigt dat tijdsverloop bij laattijdige aanvragen een zware bewijslast meebrengt. De toekenning van immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is in lijn met vaste jurisprudentie van de Centrale Raad.
Praktische impact
Voor appellante betekent de uitspraak een proceskosten- en griffierechtveroordeling ten laste van het UWV en een schadevergoeding van €3.000,-, maar de inhoudelijke Wajong-aanspraak blijft op basis van de beschikbare tekst onduidelijk. Voor andere (laat-)aanvragers benadrukt dit de moeilijkheid van het aantonen van vroege arbeidsongeschiktheid tientallen jaren later.
Onderwerp-impact
Binnen het domein van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen voor jonggehandicapten onderstreept deze zaak de praktische en juridische drempels bij laattijdige Wajong-aanvragen, met name wanneer diagnoses zoals ASS pas later in het leven worden gesteld.
Samenvatting
Deze zaak betreft een vrouw geboren in 1964 die in 2019 een Wajong-uitkering aanvroeg wegens arbeidsongeschiktheid als gevolg van een autismespectrumstoornis, chronische vermoeidheid en fibromyalgie. Haar aanvraag werd door het UWV afgewezen omdat niet aangetoond kon worden dat zij vanaf haar zeventiende levensjaar gedurende een aaneengesloten periode van 52 weken minder dan het minimumloon kon verdienen. De juridische kern van de zaak is de vraag of appellante recht heeft op een Wajong-uitkering, waarbij de beoordeling op grond van het overgangsrecht plaatsvindt aan de hand van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het besluit van het UWV in stand. In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep is de zaak zonder nadere zitting afgedaan. Hoewel de beschikbare uitspraaktekst onvolledig is en de inhoudelijke eindbeslissing over de Wajong-aanspraak niet volledig reconstrueerbaar is, blijkt uit het dictum dat de Centrale Raad het UWV veroordeelt tot vergoeding van proceskosten van in totaal €7.039,- en het betaalde griffierecht van €181,-. Daarnaast wordt de Staat der Nederlanden veroordeeld tot betaling van €3.000,- schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting; het verzoek om wettelijke rente over deze vergoeding wordt afgewezen. De zaak illustreert de bijzondere bewijsproblematiek bij laattijdige Wajong-aanvragen: het tijdsverloop van meer dan 37 jaar maakt het vrijwel onmogelijk om de medische situatie rondom het zeventiende levensjaar nog verantwoord te reconstrueren. Dit legt een zware last op aanvragers die pas later een diagnose ontvangen, zoals bij ASS regelmatig het geval is.