Hoger beroep WIA-weigering ongegrond, proceskosten vergoed
ECLI:NL:CRVB:2026:583, Centrale Raad van Beroep, 13-05-2026, 25/953 WIA
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Weigering WIA-uitkering toe te kennen omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Motiveringsgebrek. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing. Uitgaande van de juistheid van de FML, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat appellante in staat moet worden geacht de geselecteerde functies te vervullen. Vergoeding proceskosten en griffierecht.
Kern van de zaak
Een voormalig pizzabakker meldde zich in juni 2020 ziek met lichamelijke en later psychische klachten. Het UWV weigerde haar een WIA-uitkering omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Appellante bestreed dit oordeel via bezwaar, beroep en hoger beroep.
Beslissing van de rechter
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en handhaaft daarmee de weigering van de WIA-uitkering. De doorslaggevende reden is dat de belastbaarheid van appellante op navolgbaar gemotiveerde wijze is vastgesteld in de rapporten van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Het UWV wordt wel veroordeeld tot vergoeding van proceskosten (€ 3.736,-) en griffierecht (€ 194,-).
Impactscore
LaagHet betreft een individuele toepassing van vaste rechtspraak over de toetsing van UWV-medische beoordelingen zonder nieuwe rechtsvragen of richtinggevende overwegingen.
Belangrijkste punten
- 1Appellante werkte als pizzabakker (37,93 uur/week) en meldde zich in juni 2020 ziek vanuit een WW-uitkering.
- 2UWV stelde de arbeidsongeschiktheid vast op minder dan 35%, waardoor geen WIA-uitkering wordt toegekend.
- 3De FML van 11 augustus 2023 en de gewijzigde FML van 14 mei 2024 worden als voldoende onderbouwd beoordeeld.
- 4Zowel de rechtbank als de Centrale Raad van Beroep acht de medische beoordeling door het UWV navolgbaar gemotiveerd.
- 5Ondanks ongegrondverklaring van het hoger beroep worden proceskosten en griffierecht wel ten laste van het UWV gebracht.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de bestaande lijn dat de rechter de medische beoordeling door UWV-verzekeringsartsen terughoudend toetst en deze als toereikend beschouwt indien de rapporten navolgbaar zijn gemotiveerd. Er wordt geen nieuw rechtsprincipe gevestigd.
Praktische impact
Appellante ontvangt geen WIA-uitkering en moet zelf in haar inkomen voorzien; zij ontvangt wel een proceskostenvergoeding van € 3.736,- en teruggave van griffierecht van € 194,-.
Onderwerp-impact
In arbeidsongeschiktheidszaken bevestigt deze uitspraak dat een FML die door meerdere verzekeringsartsen navolgbaar is onderbouwd, in beginsel standhoudend is bij rechterlijke toetsing.
Samenvatting
Deze zaak betreft een voormalig pizzabakker die zich in juni 2020 ziekmelddde vanuit een WW-uitkering, aanvankelijk met lichamelijke klachten en later ook met psychische klachten. Na onderzoek door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het UWV werd vastgesteld dat appellante weliswaar beperkingen heeft bij het verrichten van werkzaamheden, maar dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Op grond hiervan weigerde het UWV bij besluit van 16 augustus 2023 een WIA-uitkering per de datum in geding (7 juni 2022). Na ongegrondverklaring van het bezwaar bij besluit van 6 juni 2024 — gebaseerd op aanvullende rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep — stelde appellante beroep in bij de rechtbank. De rechtbank verklaarde dit beroep ongegrond, omdat de belastbaarheid van appellante op navolgbaar gemotiveerde wijze in de FML was weergegeven. In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep werd dit oordeel bevestigd. De centrale juridische vraag was of het UWV de arbeidsongeschiktheid van appellante terecht op minder dan 35% had vastgesteld, en of de medische en arbeidskundige onderbouwing van de FML voldoende was. De Centrale Raad beantwoordt beide vragen bevestigend: de rapporten van de verzekeringsartsen zijn navolgbaar gemotiveerd en geven geen aanleiding tot twijfel over de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Opmerkelijk is dat het UWV desondanks wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 3.736,- en het griffierecht van in totaal € 194,- moet vergoeden, wat doorgaans duidt op procedurele omstandigheden die de rechter aanleiding gaven hiertoe.