CRvB bevestigt WIA-uitkering bij 40,14% arbeidsongeschiktheid
ECLI:NL:CRVB:2026:575, Centrale Raad van Beroep, 13-05-2026, 22/3078 WIA
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid op 40,14%. Benoeming deskundige. Juiste FML. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing. Functieselectie heeft op juiste wijze plaatsgevonden. De geselecteerde functies zijn in medisch opzicht passend voor appellant. Schadevergoeding en overschrijding redelijke termijn. Vergoeding proceskosten en griffierecht.
Kern van de zaak
Een werknemer die in 2018 uitviel als schoonmaker/magazijnmedewerker vocht samen met zijn werkgever over de hoogte van de door het UWV vastgestelde WIA-uitkering. Het UWV had een arbeidsongeschiktheidspercentage van 40,14% vastgesteld. Zowel werknemer als werkgever betwistten de medische en arbeidskundige beoordeling die aan dit percentage ten grondslag lag.
Beslissing van de rechter
De Centrale Raad van Beroep heeft geoordeeld dat het UWV terecht een WIA-uitkering heeft toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 40,14%. De standpunten van zowel werknemer als werkgever over de (on)juistheid van de arbeidskundige en medische beoordeling werden niet gevolgd, mede op basis van het rapport van door de Raad benoemde deskundigen (psychiater en verzekeringsarts).
Impactscore
LaagDe uitspraak is casuïstisch van aard en bevestigt bestaande werkwijzen rondom WIA-beoordelingen zonder nieuwe rechtsnormen te stellen. De impact is beperkt tot de direct betrokken partijen.
Belangrijkste punten
- 1De Centrale Raad van Beroep bevestigt het arbeidsongeschiktheidspercentage van 40,14% zoals vastgesteld door het UWV.
- 2De Raad heeft zelfstandig deskundigen benoemd (psychiater en verzekeringsarts) die in augustus 2024 rapporteerden, wat de zorgvuldigheid van de medische heroverweging onderstreept.
- 3Zowel het betoog van de werknemer over de medische beperkingen als het betoog van de werkgever over de arbeidskundige beoordeling werd verworpen.
- 4Er is een verzoek ingediend tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn; de Staat (Minister van Justitie en Veiligheid) is hiervoor als partij aangemerkt.
- 5De zaak is vanwege de complexiteit verwezen van de enkelvoudige naar de meervoudige kamer.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de gangbare toetsingswijze bij WIA-geschillen waarbij de Raad bij twijfel zelfstandig medische deskundigen benoemt en hun bevindingen zwaar laat wegen. De aanmerking van de Staat als partij bij de redelijke-termijnvordering volgt vaste jurisprudentie.
Praktische impact
Voor de werknemer betekent de uitspraak dat de WIA-uitkering op basis van 40,14% arbeidsongeschiktheid in stand blijft; voor de werkgever dat zijn bezwaren tegen de arbeidskundige beoordeling geen doel troffen. De redelijke-termijnclaim biedt de werknemer mogelijk nog een financiële compensatie.
Onderwerp-impact
In het sociale-zekerheidsdomein benadrukt deze zaak het belang van onafhankelijke medische expertise bij langdurige WIA-procedures en de rol van de rechter als waarborginstantie bij complexe arbeidsongeschiktheidsvaststellingen.
Samenvatting
Deze zaak betreft een werknemer die op 13 september 2018 uitviel voor zijn werkzaamheden als schoonmaker/magazijnmedewerker. Het UWV kende hem een WIA-uitkering toe op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 40,14%. Zowel de werknemer als de werkgever maakten bezwaar: de werknemer betwistte de medische grondslag van de beoordeling, terwijl de werkgever de arbeidskundige beoordeling aanvocht. Na behandeling door de rechtbank stelde de werknemer hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep en verzocht hij tevens om schadevergoeding. Het UWV nam in maart 2023 een gewijzigde beslissing op bezwaar, waarop ook de werkgever hoger beroep instelde. Gezien de medische complexiteit benoemde de Raad een psychiater en een verzekeringsarts als onafhankelijke deskundigen. Zij brachten in augustus 2024 rapport uit. Na uitvoerige gedachtewisseling tussen partijen en verwijzing van de zaak naar de meervoudige kamer vond de eindzitting plaats op 1 april 2026. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht het arbeidsongeschiktheidspercentage van 40,14% heeft vastgesteld. De bezwaren van de werknemer tegen de medische grondslag en die van de werkgever tegen de arbeidskundige beoordeling werden beide verworpen. De Raad baseert zich daarbij mede op de bevindingen van de door hemzelf benoemde deskundigen, die kennelijk de conclusies van het UWV onderschreven. Voorts is de Staat als partij aangemerkt in verband met het verzoek tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, een verzoek dat de aanzienlijke doorlooptijd van de procedure weerspiegelt. De uitspraak is in essentie casuïstisch: zij bevestigt de bestaande WIA-beoordeling zonder nieuwe rechtsnormen te formuleren, maar illustreert wel de waarborgfunctie van de rechter bij complexe arbeidsongeschiktheidsprocedures.