WIA-uitkering geweigerd: arbeidsongeschiktheid onder 35%-drempel
ECLI:NL:CRVB:2026:1256, Centrale Raad van Beroep, 23-09-2026, 24/2850 WIA
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Weigering WIA-uitkering toe te kennen omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing. De geselecteerde functies zijn passend voor appellant.
Kern van de zaak
Een voormalig bloemverwerker meldde zich in juni 2020 ziek na 40 uur per week te hebben gewerkt. Na onderzoek door UWV-verzekeringsarts en arbeidsdeskundige werd zijn arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 12,45%, ruim onder de WIA-drempel van 35%. UWV weigerde daarop een WIA-uitkering toe te kennen.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard; de weigering van de WIA-uitkering blijft in stand. Doorslaggevend is dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht en er geen medische argumenten zijn om af te wijken van de vastgestelde functionele mogelijkheden, terwijl de arbeidsongeschiktheid (12,45%) ruim onder de wettelijke drempel van 35% ligt.
Impactscore
LaagHet betreft een individuele WIA-zaak zonder nieuwe rechtsvragen; de uitkomst past volledig binnen de gevestigde jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep over de beoordeling van arbeidsongeschiktheid.
Belangrijkste punten
- 1Appellant werkte als bloemverwerker voor 40,34 uur per week en meldde zich ziek op 10 juni 2020.
- 2UWV stelde de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 12,45% (na bezwaar bijgesteld van 21,15%), ruim onder de WIA-drempel van 35%.
- 3De verzekeringsarts bezwaar en beroep zag geen medische gronden om af te wijken van de primaire FML.
- 4De rechtbank achtte het medisch onderzoek zorgvuldig: dossieronderzoek én fysiek spreekuur met psychisch onderzoek.
- 5Zowel de rechtbank als de Centrale Raad van Beroep verklaarden het (hoger) beroep ongegrond.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de bestaande toetsingspraktijk bij WIA-zaken: de bestuursrechter toetst terughoudend en laat het medisch oordeel van UWV in stand zolang het onderzoek zorgvuldig is verricht en geen concrete medische tegenbewijs is aangedragen. Geen nieuwe rechtsregels worden gesteld.
Praktische impact
Appellant ontvangt geen WIA-uitkering en is aangewezen op andere inkomensregelingen of arbeidsmarktinstrumenten. De uitspraak sluit de WIA-procedure definitief af.
Onderwerp-impact
Voor werknemers in de productiesector die te maken krijgen met arbeidsongeschiktheid bevestigt deze uitspraak dat de 35%-drempel een hoge feitelijke barrière vormt en dat een zorgvuldig UWV-onderzoek moeilijk aan te tasten is zonder medische contra-expertise.
Samenvatting
Deze zaak betreft een voormalig productiemedewerker bloemen die zich in juni 2020 ziek meldde na jarenlang fulltime te hebben gewerkt. Na indiening van een WIA-aanvraag stelde UWV op basis van verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek zijn functionele beperkingen vast in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige selecteerde passende functies en berekende de mate van arbeidsongeschiktheid aanvankelijk op 21,15%. UWV weigerde bij besluit van oktober 2022 een WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was. In bezwaar herzag de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de functieselectie, waardoor de arbeidsongeschiktheid zelfs daalde naar 12,45%. De verzekeringsarts bezwaar en beroep zag geen medische redenen om af te wijken van de primaire FML. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd: het bestond uit dossieronderzoek én een fysiek spreekuur met een psychisch onderzoek. De centrale juridische vraag in hoger beroep was of de medische en arbeidsdeskundige grondslag van het bestreden besluit deugdelijk was. De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. De weigering van de WIA-uitkering blijft daarmee definitief in stand. De uitspraak past naadloos binnen de vaste lijn van de Centrale Raad: zolang UWV een zorgvuldig en inzichtelijk medisch onderzoek heeft verricht en de appellant geen concrete, onderbouwde medische bezwaren aanvoert die twijfel zaaien aan de FML, is er geen grond voor rechterlijk ingrijpen. Voor appellant betekent dit dat hij aangewezen blijft op andere regelingen of arbeidsmarktondersteuning.