UWV veroordeeld in proceskosten na alsnog erkennen Ziektewet-ongeschiktheid
ECLI:NL:CRVB:2026:1117, Centrale Raad van Beroep, 26-08-2026, 23/2372 ZW
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep.
Kern van de zaak
Appellant bestreed een beslissing van het UWV waarbij hij niet ongeschikt werd geacht in het kader van de Ziektewet per 24 januari 2022. Na benoeming van deskundigen (psychiater en verzekeringsarts) herzag het UWV zijn standpunt en erkende alsnog de ongeschiktheid, waarna appellant het hoger beroep introk.
Beslissing van de rechter
De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het UWV in de proceskosten van appellant tot een totaalbedrag van € 4.720,26, alsmede in de vergoeding van het griffierecht. De doorslaggevende reden is dat het UWV door de gewijzigde beslissing op bezwaar van 23 december 2025 geheel aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen, hetgeen op grond van artikel 8:75a Awb jo. artikel 8:108 Awb een proceskostenveroordeling rechtvaardigt.
Impactscore
LaagDe uitspraak betreft een routinematige proceskostenveroordeling na intrekking van hoger beroep; er worden geen nieuwe of richtinggevende rechtsvragen beantwoord en de impact beperkt zich tot de individuele zaak.
Belangrijkste punten
- 1Het UWV erkende na deskundigenrapportages alsnog de Ziektewet-ongeschiktheid van appellant per 24 januari 2022.
- 2Appellant trok het hoger beroep in na de gewijzigde beslissing op bezwaar (23 december 2025) en verzocht om proceskostenveroordeling op grond van art. 8:75a Awb.
- 3Proceskosten worden begroot op € 1.868,- in beroep en € 2.802,- in hoger beroep, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.
- 4Reiskosten (openbaar vervoer tweede klasse) en kosten voor bezoek aan deskundigen psychiater Bouwens en verzekeringsarts Cheng worden vergoed.
- 5De zaak is zonder zitting afgedaan door een enkelvoudige kamer, na instemming van partijen.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak past de standaardregel van artikel 8:75a Awb toe bij intrekking van hoger beroep wegens tegemoetkoming door het bestuursorgaan; er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord. De berekening van proceskosten inclusief deskundigenbezoekkosten bevestigt de gangbare toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Praktische impact
Appellant ontvangt een totale proceskostenvergoeding van € 4.720,26 plus griffierecht en wordt alsnog per 24 januari 2022 als ongeschikt erkend in het kader van de Ziektewet, wat hem recht geeft op de daarbij behorende uitkering.
Onderwerp-impact
Voor Ziektewet-zaken illustreert deze uitspraak dat langdurige procedures met inschakeling van meerdere deskundigen ertoe kunnen leiden dat het UWV zijn standpunt herziet en dat alle proceskosten voor rekening van het UWV komen.
Samenvatting
In deze zaak had appellant beroep en vervolgens hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van het UWV, waarbij hij niet ongeschikt was geacht voor zijn werk in het kader van de Ziektewet per 24 januari 2022. Tijdens de hoger beroepsprocedure benoemde de Centrale Raad van Beroep twee deskundigen — psychiater Bouwens en verzekeringsarts Cheng — die in augustus 2025 rapporteerden over de medische toestand van appellant. Op basis van deze rapportages herzag het UWV zijn standpunt en nam het op 23 december 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar, waarbij appellant alsnog per 24 januari 2022 ongeschikt werd geacht in de zin van de Ziektewet. Hierop trok appellant zijn hoger beroep in en verzocht de Raad het UWV te veroordelen in de proceskosten. De juridische vraag beperkte zich daarmee tot de hoogte van de proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75a, eerste lid, Awb, dat van overeenkomstige toepassing is op hoger beroep via artikel 8:108, eerste lid, Awb. Nu het UWV door zijn gewijzigde beslissing geheel aan de bezwaren van appellant tegemoet was gekomen, bestond er een wettelijke grondslag voor een dergelijke veroordeling. De Centrale Raad van Beroep begrote de proceskosten conform het Besluit proceskosten bestuursrecht op € 1.868,- voor de beroepsfase en € 2.802,- voor de hoger beroepsfase, gebaseerd op respectievelijk 2 en 3 punten à € 934,-. Daarnaast werden reiskosten op basis van openbaar vervoer tweede klasse vergoed (€ 4,64 in beroep en € 45,62 in hoger beroep), alsook de kosten van de bezoeken aan de twee deskundigen. Het totaal te betalen bedrag bedraagt € 4.720,26, vermeerderd met het griffierecht voor beide instanties. De zaak werd zonder nadere zitting afgedaan door een enkelvoudige kamer.