UWV vergoedt proceskosten na tegemoetkoming WIA-bezwaar
ECLI:NL:CRVB:2026:1116, Centrale Raad van Beroep, 26-08-2026, 22/1017 WIA
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep.
Kern van de zaak
Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van het UWV in een WIA-zaak. Nadat het UWV op 23 maart 2026 een gewijzigde beslissing op bezwaar nam en volledig aan haar bezwaren tegemoet kwam, trok appellante het hoger beroep in. Vervolgens verzocht zij om vergoeding van proceskosten op grond van artikel 8:75a Awb.
Beslissing van de rechter
De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het UWV tot betaling van € 934,- aan proceskosten en € 184,- aan griffierecht. De kosten voor rapporten van het Expertise Instituut en verzendkosten worden afgewezen, omdat de rapporten in een andere procedure zijn ingebracht en verzendkosten niet onder het Besluit proceskosten bestuursrecht vallen.
Impactscore
LaagHet betreft een procedurele uitspraak over proceskostenvergoeding na intrekking van hoger beroep, zonder inhoudelijk oordeel over de WIA-aanspraak. De rechtsvragen zijn niet nieuw en de uitkomst is sterk casuïstisch.
Belangrijkste punten
- 1Hoger beroep ingetrokken na volledige tegemoetkoming door UWV bij gewijzigde beslissing op bezwaar van 23 maart 2026
- 2Proceskostenvergoeding toegewezen op grond van artikel 8:75a jo. 8:108 Awb: € 934,- voor rechtsbijstand (1 punt hogerberoepschrift)
- 3Kosten voor twee rapporten Expertise Instituut afgewezen: ingediend in andere procedure bij Rechtbank Amsterdam, vergoeding aldaar te verzoeken
- 4Verzendkosten van € 7,- niet vergoed: artikel 1 Bpb voorziet hier niet in
- 5Griffierecht van totaal € 184,- (beroep én hoger beroep) vergoed door UWV
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste toepassing van artikel 8:75a Awb bij intrekking van beroep na tegemoetkoming en verduidelijkt dat expertisekosten alleen vergoed kunnen worden in de procedure waarin zij zijn ingebracht. Verzendkosten vallen buiten de limitatieve opsomming van het Bpb.
Praktische impact
Appellante ontvangt € 934,- aan proceskosten en € 184,- griffierecht terug van het UWV. Voor vergoeding van de rapporten van het Expertise Instituut dient zij een apart verzoek in te dienen bij de Rechtbank Amsterdam in de lopende beroepsprocedure aldaar.
Onderwerp-impact
In WIA-zaken dienen procesdeelnemers er rekening mee te houden dat expertisekosten alleen vergoed worden in de procedure waarin de rapporten ook daadwerkelijk zijn ingebracht; strategische keuzes over het inbrengen van bewijsstukken zijn dus bepalend voor de proceskostenveroordeling.
Samenvatting
Appellante had hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep in een WIA-zaak tegen het UWV. Nadat het UWV op 23 maart 2026 een gewijzigde beslissing op bezwaar nam waarmee volledig aan de bezwaren van appellante werd tegemoetgekomen, trok zij het hoger beroep in. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, Awb – van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep via artikel 8:108 Awb – verzocht appellante het UWV te veroordelen in haar proceskosten. De Centrale Raad van Beroep wijst dit verzoek gedeeltelijk toe. Voor de rechtsbijstand wordt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) € 934,- toegekend, berekend als één punt voor het indienen van het hogerberoepschrift tegen de geldende puntwaarde. Het UWV dient daarnaast de betaalde griffierechten van in totaal € 184,- te vergoeden. Drie kostenposten worden echter afgewezen. De kosten voor twee rapporten van het Expertise Instituut komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat deze rapporten niet in de onderhavige hoger beroepsprocedure zijn ingebracht, maar in een afzonderlijke beroepsprocedure bij de Rechtbank Amsterdam. De Raad volgt het UWV in het standpunt dat appellante voor deze kosten een verzoek kan indienen in die andere procedure. De verzendkosten van € 7,- worden eveneens afgewezen, omdat artikel 1 Bpb in een vergoeding van dergelijke kosten niet voorziet. De uitspraak illustreert het limitatieve karakter van de proceskostenvergoeding in bestuursrechtelijke procedures en benadrukt dat expertisekosten uitsluitend vergoed kunnen worden in de procedure waarin de betreffende stukken ook daadwerkelijk zijn ingebracht. Voor de praktijk betekent dit dat partijen bij het inbrengen van deskundigenrapporten bewust moeten kiezen in welke procedure zij dat doen, mede met het oog op de kostenverhaalsmogelijkheden.